Leonard de Waal

 

Leonard de Waal

Familiewapen Johan de Waal

 

 

Leonard de Waal werd op 1 juli 1919 geboren te Breda. Zijn vader was daar werkzaam als officier bij de Koninklijke Militaire Academie (KMA). Als jongste zoon van 4 kinderen, Pauline, Joop en Arnold weet hij niets meer van Breda, maar des temeer van Den Haag waar zijn ouders in het huis van grootvader Johan trokken op de Surinamestraat 10.

De moeder van Leo, zoals Leonard genoemd werd, was tijdens zijn jeugd vaak ziek. Toch heeft hij zijn jeugd als warm en goed ervaren. Hij zei altijd dat het huishouden eenvoudig was, maar toch werd voordat vader Johan Jacobus Marinus met pensioen ging een staat gevoerd die hoort bij de rang van een hoge officier met zijn vrouw, die van huis uit gewend was aan een grote staat te voeren. Vader erfde van overgrootmoeder Marie de Waal- van der Hucht en van Johan de Waal. Ook de nalatenschap van familie Pit maakte dat Leo´s jeugd ongestoord voortging en hij zich ontwikkelde tot een ambitieuze Lyceïst, die zijn vader wilde navolgen in een militaire loopbaan. Helaas bleken zijn ogen niet de kwalificatie te doorstaan die verwacht werd bij een beroepsmilitair. Leo koos uiteindelijk voor een studie aan de Economische Hogeschool in Rotterdam.

Dit was de opmaat voor een rijk en boeiend leven. Om dit leven de juiste inhoud te geven, heeft Leo met zijn talent voor vertellen een boek gepubliceerd over zijn leven: ” Het leven van een Bemoeial”. Hierna volgt integraal de inhoud van zijn boek.

Het eigen verhaal van Leo de Waal
Opgetekend door Paul Kattestaart

“Het gelukkige leven van een bemoeial”

 

Voorwoord
Deze beschrijving van mijn – ons – leven is niet uit ijdelheid voortgekomen,
maar tot stand gekomen op uitdrukkelijk verzoek van onze kinderen.
Zonder de hulp van Paul Kattestaart, vrijwilliger bij Pluspunt voor het project
‘Deel je leven’, zou ik nooit zover zijn gekomen. Ik ben hem daarvoor zeer dankbaar.
Negentig jaar levenservaring in een boekje samenvatten is niet eenvoudig, maar
wel boeiend. Terugblikkend realiseer je je pas goed hoeveel in je leven en carrière
bepaald is door toeval en niet alleen door je eigen planning; dat maakt je nederig.
Niet alleen toeval, maar vooral een bijna zestigjarig gelukkig huwelijk met Jopie
Bogaardt, die mij steunde in mijn ambities, heeft het mij mogelijk gemaakt te
doen wat ik gedaan heb.
Ik hoop dat mijn verhaal voor onze kinderen en kleinkinderen een beeld geeft
van het leven in de twintigste eeuw die, ondanks de twee grote oorlogen, veel
technische veranderingen en verbetering heeft gebracht.
Moge dit boekje veel leesplezier bieden en ook ‘aha’-herinneringen aan een
gelukkig gezinsleven oproepen.
Leo de Waal
augustus 2013
3trouwfotoJJMdeWaal              Huwelijksdag Leo’s ouders, 6 juni 1907.
4
1. Ik ben beschermd opgegroeid
In mijn geboortejaar 1919 vonden vier belangrijke gebeurtenissen plaats die
mijn verdere leven hebben beïnvloed. Ten eerste de totstandkoming van het
Vredesverdrag van Versailles, de opmaat voor de Tweede Wereldoorlog. Ten
tweede de Pacificatiewet voor het Onderwijs en de oprichting van de Onderwijsraad,
die het toezicht op de juiste uitvoering van de wet regelde. Ten derde
de ontwikkeling van het algemeen kiesrecht. En ten slotte de geboorte van
mijn latere echtgenote in december van dat jaar.
Ik ben op 1 juli 1919 geboren in Breda, aan de Ginnekenweg, als laatste van
vier kinderen. Ons gezin bestond uit mijn vader, J.J.M. de Waal, geboren in
1880; mijn moeder, T.M. Pit, geboren in 1886; mijn zuster Pauline – Pau – van
1908; mijn broer Joop van 1914; mijn broer Nout van 1917 en ikzelf, Leonard
– Leo. Na mijn geboorte zei vader tegen moeder: “Geen kinderen meer, anders
kunnen we het financieel niet redden.”
Mijn vader werkte als beroepsofficier bij de cavalerie, onder andere op de
Koninklijke Militaire Academie als leraar paardrijden en later als examinator.
Verder diende hij in Venlo en Den Haag. Hij zal in mijn geboortejaar
ritmeester geweest zijn. Hij was een typische officier: streng, gedisciplineerd,
rechtvaardig en traditioneel. Om een onnozel voorbeeld te geven:
hij kwam elke werkdag thuis voor de lunch en at dan vier boterhammen.
De derde boterham was altijd met anijshagels en juist op het moment dat
hij díe ging klaarmaken, werd mijn moeder geacht het tweede kopje koffie
in te schenken.
Harmonieus gezin
Ons huis en de straat in Breda, daar heb ik weinig herinneringen aan, want ik
was vier toen we in 1923 verhuisden naar Den Haag. Naar de Surinamestraat
numero 10, waar mijn ouders ook zouden sterven. De Surinamestraat ligt in
de Archipelbuurt, die werd ontwikkeld in de tweede helft van de negentiende
eeuw. Het was en is een rustige, brede straat met in het midden een lang plein
met prachtige kanstanjebomen. Ons huis staat nu onder monumentenzorg.
Wel ben ik Breda altijd als mijn geboortestad blijven voelen. Ik vond het leuk
om er terug te komen. Bijvoorbeeld als mijn vader examens moest afnemen
bij de Koninklijke Militaire Academie. Wij, de rest van het gezin, logeerden
dan in een hotel, als een soort vakantietje. Zo heb ik de stad in mijn jonge jaren
toch een beetje leren kennen.
5
Ik had goed contact met beide broers, maar minder met mijn zuster, vanwege
het leeftijdsverschil. We scheelden tien jaar en je laat je niet zo makkelijk bemoederen
door je zuster. Toen ik ouder werd, ging zij het huis uit. Met Nout
heb ik altijd veel contact gehad. Ook met Joop, die een grote verzameling loden
soldaatjes had. Daarmee speelde hij samen met een vriendje, ook zoon van een
officier, en ik deed vaak mee, maar Nout niet. Ons gezin was redelijk harmonieus,
met dien verstande dat mijn moeder veel ziek was: nier- en blaasklachten en in
de overgangstijd last van toevallen. Maar ze was ook ijdel. In die tijd moest een
vrouw een hoed dragen. Als ze dan met een nieuwe thuiskwam en je zei niet
‘wat een leuke keuze’, liep ze kwaad naar de slaapkamer en sloeg met de deuren.
Discipline
Met een militair als vader gold thuis ook de nodige discipline. Om half zeven
was de avondmaaltijd en o wee als je een minuut te laat kwam. Dan kreeg je op
je falie: “Het is hier geen pension!” Ik heb zelden een pak slaag gehad, maar dan
werd je naar bed gestuurd of zo. Je paste wel op, omdat je wist dat je gedonder
kreeg als je je niet behoorlijk gedroeg. Ik denk dat het een goede invloed heeft
gehad op mijn verdere leven, dat je je aan normen moest houden. Dat vind ik
positief. Ik geloof dat je in je jonge jaren moet leren dat er een zekere discipline
gehandhaafd wordt. Dat kan met een glimlach gebeuren: “Luister eens, zo kunnen
we het niet hebben, je moet je aan die en die regels houden.”
Zelf was mijn vader ook heel strikt. Je kon vrijwel de klok op hem gelijk
zetten. We zaten met zijn zessen aan tafel als iedereen thuis was en hadden
het voorrecht dat er twee dienstbodes waren: een keukenmeisje en een kamermeisje.
Er werd gekookt in de keuken en opgediend in schalen. Mijn vader
sneed het grote vlees dat we meestal hadden en dan maakte hij ook een bordje
klaar voor het personeel in de keuken. In die stijl ging het. Ik denk dat dit zo
tot 1933, ’34 doorging. Toen werd het gezin kleiner, was mijn zuster het huis
uit, gingen Joop en later Nout weg en was er minder hulp nodig. Behalve een
dienstbode hadden we ook een werkster, een Scheveningse, die voor het zware
werk kwam, zoals het schrobben van de marmeren gang beneden. Eens in de
maand gaf zij een van de kamers een grote beurt. Die twee interne dienstbodes
waren er altijd. Dat waren meestal jonge Duitse vrouwen. Wij konden heel
goed met hen opschieten. Leerden we meteen een beetje Duits spreken. De
onderlinge verhoudingen waren altijd vriendelijk.
Mijn vader had als officier recht op een oppasser die voor zijn paarden moest
zorgen, maar ook huishoudelijke diensten verrichtte. Dat waren dienstplichtige,
dikwijls boerenzonen. Zij kwamen dagelijks aan huis om a) kolen te scheppen
in kits die ze naar de kamers brachten waar de kachel moest branden, b) laarzen
en schoenen te poetsen en c) messen te poetsen en slijpen. Je had toen nog
6
stalen messen die niet roestvrij waren. Daarom was het ongemanierd om je
aardappelen te snijden met een mes, omdat de aardappels dan zwart werden
en je mes werd aangetast. Een van die oppassers heeft mij nog leren schaatsen
op de sloot langs de Alexanderkazerne in Den Haag.
V.l.n.r. Joop, Pau, Leo en Nout, september 1921.
Pau, Joop,Naut en LeoModerne faciliteiten
De moderne faciliteiten waren in die tijd gering. Centrale verwarming was
nog zeldzaam. Alleen in de badkamer en wc’s hadden we stromend water.
Op de gang van de zolderverdieping, met de logeerkamer en slaapkamers, was
een waterkraan met een ‘slokop’, een vierkante bak met een royale afvoerpijp.
Ook de po kon je hierin legen. In de slaapkamers stonden een lampetkan en
kom om je mee te wassen. Eens in de week mocht je in bad.
Het dagelijks leven was op veel meer terreinen anders dan nu. Zo zag ik in
mijn jonge jaren in Den Haag nog dagelijks straatlantarenopstekers langs7
komen die de gaslampen tot leven brachten – en ’s ochtends weer doofden. De
melkboer kwam langs de deur met een handkar, waarop twee mooie koperen
vaten melk stonden. Voor zover ik mij herinner was dat rauwe melk; als die
een dag gestaan had dreef er een laagje room op. Er was ook een melkwinkel
waar je flessen melk kreeg, die was gepasteuriseerd. Bij die kar kwamen de
huisvrouwen met een kannetje of pannetje naar buiten om de melkboer een
liter melk te laten tappen. Het was zwaar werk om zo’n kar vooruit te krijgen
en in de winter, als er dikwijls sneeuw lag, dienden werklozen als trekpaard
om de melkboer te helpen. Dan liepen ze met een touw ervoor om de kar door
de sneeuw te trekken. Zo had ook de bakker, die met de handkar langskwam,
’s winters soms een werkloze als hulpje. En de groenteman reed met paard
en wagen. Het was voor ons als kinderen heerlijk als je een eindje op de bok
mocht meerijden en het paard een stukje brood of klontje mocht geven. Verder
kwam regelmatig de voddenkoopman langs, luid roepend: “Voddûûûh!”, en een
Scheveningse vissersvrouw: “Haring en zallûûûm!” Pas na de oorlog werden
die leveranciers gemechaniseerd met een elektrokar. Aangezien je ook melkboeren
en bakkers met een hondenkar zag, werden deze elektrokarren ‘ijzeren
honden’ genoemd.
De centrale bellen
Ik herinnering mij ook dat de telefoon nog lang niet geautomatiseerd was. Ik
heb net niet meer bewust meegemaakt dat je voor élk telefooncontact – ook
binnen de gemeente – naar de centrale moest bellen, maar zodra je buiten de
stad belde moest dat wel, om de verbinding tot stand te laten brengen. Volgens
mij kon er rond 1935 pas in het hele land automatisch gebeld worden.
In de jaren dertig werd de stoomtrein langzamerhand vervangen door de
elektrische trein. Een van de eerste geëlektrificeerde lijnen was Rotterdam
Hofplein-Den Haag. Kort daarna volgde Amsterdam-Rotterdam. Een geweldige
ontwikkeling. Als kind ging ik niet vaak met de trein. Ja, we reisden weleens
naar mijn grootouders in Baarn. Dan werden we van het station gehaald door
de koetsier met de brik.
Schooltijd
Mijn schooltijd was echt Haags. De lagere school was bij het Instituut Wolters,
schuin tegenover het ouderlijk huis. Een particuliere school, een zevenjarige
opleiding in kleine klassen, althans klein voor die tijd: met zo’n 25 kinderen.
Daardoor kon je vrijwel zeker altijd naar de middelbare school die je wilde,
hoewel je daar toen nog wel toelatingsexamen voor moest doen. Ik ging
naar het Nederlands Lyceum. Daar waren de eerste twee jaar algemeen, wat
je tegenwoordig een brugklas zou noemen, daarna koos je voor gymnasium
of hbs. Ik volgde de vijfjarige hbs. In de vierde klas kon je dan kiezen tussen
8
hbs-A en -B. Hbs-A was voornamelijk talen, economie en boekhouden, zeg
maar algemeen administratief, en daarmee kon je destijds niet op elke faculteit
van de universiteit terecht. B was meer exact en wiskundig. Ik heb B gedaan,
want het lag wel in de verwachting dat ik naar de universiteit zou gaan.
Mijn eerste idee van keuze was echter de Koninklijke Militaire Academie.
De toelating voor die opleiding was erg beperkt, voor iedere plaats waren wel
vijftig kandidaten. Ik werd toegelaten, maar niet geplaatst bij de artillerie of
cavalerie, zoals ik wilde. Daarom zag ik ervan af. Maar ik beschouw het nog
altijd als een schouderklopje dat ik toegelaten werd.
In plaats daarvan koos ik – ik meen geheel zelfstandig, zonder de raad van
mijn ouders – voor de studie economie aan de Nederlandsche Handels-
Hoogeschool in Rotterdam, de voorloper van de Erasmus Universiteit. Die
was destijds driejarig, dan had je je kandidaats. Niet meer dan de helft van
de studenten ging door voor het doctoraal. Maar dan spreek ik al over 1937.
Gehaald door een lakei
Van mijn schooljaren in Den Haag herinner ik me nog meer. Als je lagere
school tegenover je huis staat, heb je natuurlijk geen gelegenheid om onderweg
tijd in te halen, dus het kostte vaak moeite om niet te laat te komen. Wel kon ik
tussen de middag thuis een boterham gaan eten. Een typische herinnering:
een van mijn klasgenoten was de dochter van een hofdame van de koningin.
Zij werd lopend naar school gebracht en gehaald door een lakei.
Ik had veel vriendjes en een van hen kreeg al in de tweede klas een fietsje. Dat
was een hoge uitzondering – als je tegenwoordig op je vierde nog geen fiets
hebt, tel je niet mee – dus dat was een gewaardeerd vriendje. Ik mocht ook op
dat fietsje rijden. Naderhand heb ik zelf leren fietsen op de fiets van mijn moeder,
maar ik kreeg geloof ik pas een eigen fiets, dat wil zeggen een afgedankte
van mijn broer, toen ik naar het lyceum ging en dus wat grotere afstanden
moest afleggen.
Geen kijk op de bal
Ik heb veel gesport op school. Voetbal en cricket. Een held ben ik nooit geweest,
want ik heb geen kijk op de bal. In mijn lyceumtijd ging ik hockeyen bij de Lyceum
Hockeyclub, die eerste klas speelde, maar ik natuurlijk niet. Op zeker moment
kwam er een verordening van de schoolleiding dat oud-lyceïsten niet meer
mochten meespelen met de Lyceum Hockeyclub. Daarom werd de Haagse Hockey
en IJshockey Club, HHIJC, opgericht, waar ik toen ook ging spelen. Totdat
ik
tot de conclusie kwam dat ik beter geen balsporten kon doen en ging roeien.
De lyceum roeivereniging had een eigen loods aan de Vliet. Roeien ging me heel
9
wat beter af dan balsporten. Ik heb ook wel wat getennist, maar was altijd blij
als ik de bal raakte. Later zei ik tegen mijn kinderen: “Mijn grootste verdienste
met hockeyen was niet de bal raken, maar de tegenspeler in de weg lopen.”
In mijn eindexamenjaar, ter voorbereiding op mijn pogingen om op de Koninklijke
Militaire Academie te komen, oefende ik ook nog voor het halen van een
NOC-medaille, van het Nederlands Olympisch Comité. Je moest een sportprogramma
met tien onderdelen volgen: atletiek, verdedigingssport, zwemmen
en nog zo wat. Als je voor elk onderdeel aan de eisen voldeed, kreeg je
een medaille. En verdomme, ik faalde met zwemmen op mijn rug: een seconde
te lang deed ik erover! Toch was het ook erg leuk. Ik werd getraind door een
opperwachtmeester van de cavalerie in de kazerne, die sportmeester was.
Neven en nichten
Ons gezin had veel contact met de Van Rossems, een oom en tante en hun vier
kinderen, die in de Jan van Nassaustraat woonden. Deze tante Anna, een zuster
van mijn moeder, was getrouwd met oom George, ook een officier en tijdgenoot
van mijn vader. Mijn vader was getuige voor oom George geweest. Bij dat
huwelijk leerde hij mijn moeder kennen. De oudste kinderen waren mijn neven
Wim en Nol, in de leeftijd van mijn zuster en oudste broer. Er waren ook een
neef en nichtje van mijn leeftijd: George-Maarten, een jaar ouder dan ik, en
Cootje, een jaar jonger. Het toeval wil dat deze twee jongste Van Rossems op
dezelfde dansles zaten als mijn latere echtgenote, die ik toen nog niet kende.
Dit was bij het Instituut Rocco Dubois, een Belgische dansleraar die gemengd
Nederlands en Frans sprak. Ook ik had daar dansles, maar in een andere groep.
Nout zat in een clubje vrinden die af en toe een wandeling op zondag organiseerde,onder leiding van een van de vaders, en daaraan mocht ik ook meedoen.
Dat waren van die aardige uitjes.

Een ander evenement was dat mijn grootmoeder Pit, die vrij introvert was, op Nieuwjaarsdag altijd een soort receptie in haar appartement organiseerde, waar alle kinderen en kleinkinderen op afkwamen.
Heel gezellig, dan zag je al je neven en nichten en ooms en tantes weer.
Maar het was ook belangrijk omdat je dan als kind een nieuwjaarsfooi kreeg in
een envelopje.
Mijn grootvader van moeders kant was advocaat in Utrecht en woonde in Baarn.
Hij overleed toen ik een jaar of vier was. Mijn grootmoeder kwam toen naar
Den Haag en woonde tot in de oorlogsjaren in een van Nederlands eerste flatgebouwen, tegenover het Josef Israëlpark. In de oorlog moest ze geëvacueerd
worden, omdat het flatgebouw in het zogeheten ‘vestingsgebied’ lag. Mijn
vader wist haar onder te brengen bij psychiatrisch ziekenhuis Rosenburg,
waar hij bestuurslid was.
10
Sinterklaas
In mijn jeugd heb ik veel gelezen. Jongensboeken. Karl May was een van de
populaire schrijvers, maar ook Roggeveen en Been. En naderhand literatuur.
Veel gelezen, dikwijls tot diep in de nacht, stiekem, want je werd geacht om elf
uur het licht uit te hebben. Vlak in de buurt was een boekhandel die ook een
bibliotheekje had, daar haalde ik regelmatig boeken. Met Sinterklaas stond er
ook altijd wel een boek op mijn verlanglijst. Leuk was dat trouwens, de Sinterklaasviering
bij ons thuis.
Op de lagere school heb ik de eer gehad een keer zwartepiet te mogen spelen.
Onderwijzer Maas speelde voor Sinterklaas en deed dat heel serieus. Ik herinner
me nog dat hij zei: “Die baard moet van echt haar zijn, anders gaat het
niet.” Hij werd stevig geschminkt. Ik vond het heerlijk om zwartepiet te
spelen. Als die onderwijzer mij sindsdien zag, zei hij altijd: “Waar Máás en
Wáál tezámen vloeien …” Immer hetzelfde grapje.
Ik denk dat ik een jaar of tien was toen ik een blindedarmoperatie moest
ondergaan. Daar was ik eerst best trots op: eindelijk naar een echt ziekenhuis.
Toen ik er eenmaal was, vond ik het minder leuk. In die tijd kwam de huisarts
naar de operatiekamer om je het narcosekapje op te zetten. Ik werd geopereerd
in het Rode Kruis Ziekenhuis in Den Haag door de chirurg van het militaire
garnizoen. Mijn vader had als officier recht op gratis medische verzorging.
Deze chirurg was een beroepsofficier. Uit die narcose werd je ver-schrik-ke-lijk
misselijk wakker. Dat is tegenwoordig veel minder.
Hond Raudie
Ik wilde graag een hond hebben. Toen ik bijna elf jaar was, riep ik daarvoor
de hulp van een dienstmeisje in. Ik vroeg haar toen zij met vakantie naar
Duitsland ging: “Kun je als je terugkomt niet een leuk hondje meenemen?”
En werkelijk, zij barcht een jong hondje mee, een niet-rasechte foxterriër
die precies leek op de hond die mijn ouders in Breda hadden gehad. Gelukkig
waren mijn ouders niet boos op mij of de dienstbode. Zij vielen voor de
charmes van de hond, onder voorwaarde dat ik de zorg voor hem – het was
een reu – op mij zou nemen. Hij heette Raudie, Duits voor ‘schoffie’.
Ik heb heel wat met Raudie gedaan, nam hem achterop de fiets mee naar de
duinen. Ik had hem redelijk onder gezag. Ik zorgde voor zijn eten, waste hem
als hij weer eens door visafval had liggen rollen, en liet hem ’s ochtends en
’s avonds uit. Binnen de kortste tijd was hij in het gezin opgenomen. Toen hij
doodging, was mijn vader zelfs bedroefd, omdat Raudie ‘dertien jaar lang lief
en leed met ons had gedeeld’, zoals hij zei.
11
Geen les, wel paardrijden
Een van de voorrechten van een officier was dat hij twee eigen paarden had,
die in de kazerne mochten staan. Ik heb er heel wat stappen gezet om naar die
paarden te kijken. Alleen tegen de tijd dat ik rijles zou krijgen, ging mijn vader
de dienst uit. Dat was twee jaar te vroeg – hij was 53 – omdat er vanwege het
‘gebroken geweertje’ zo bezuinigd was, dat hij met zijn mitrailleurpeloton per
wapen drie losse flodders mee kreeg. Hij zei: “Daar kan ik niet mee oefenen. Ik
stop ermee.” Het gebroken geweertje was eind jaren twintig, begin jaren dertig
een beweging van links Nederland – onder meer de SDAP – die vond dat we
helemaal geen leger nodig hadden.
Ik heb het altijd jammer gevonden dat ik niet kon paardrijden zoals mijn zuster
en broer Joop, die rijles hadden. Maar ik had in mijn jongere jaren nooit de
middelen om zelf rijles te nemen. Toch zat ik destijds wel regelmatig op een
paard, dus helemaal knullig erop was ik niet. Ik mocht namelijk op het paard
zitten als Joop rijles had gehad en het dier niet al te lastig meer was, omdat
het al een mooie rit had gemaakt. Mijn broer en de oppasser stonden dan met
een suikerklontje in de hand om te kijken of ik het paard voorbij kon laten
stappen. Zo had ik toch redelijk les. Daar heb ik naderhand nog voordeel van
gehad toen ik mijn zoon in Colombia bezocht. Die had een cowboypaardje
waarop ik heerlijke ritjes over zijn terrein kon maken.
Mijn zuster Pau
Mijn zuster Pau vond haar kinderleven moeilijk, want ze had zes jaar het alleenrecht gehad voordat mijn eerste broer kwam. Daardoor had ze nogal last van jaloezie. Ze was intelligent, goed in haar talen. Ze deed geloof ik een soort
meisjesmulo, daarna een opleiding in talen, ging vervolgens een jaar naar
Lausanne en een jaar naar Londen. Dus zij was vaak voor langere periodes weg
in mijn puberjaren. Eenmaal terug vond ze een baan bij het Toeristenbureau
en de Vereniging Nederland-Engeland, waarin ze een belangrijke rol speelde.
Door al haar tijd in Engeland was ze zo verrukt van de Engelse stijl, dat we
haar tegenwoordig een anglofiel zouden noemen. Ze werkte in een kantoortje
op het Korte Voorhout. Daar zocht ik haar weleens op, want ik probeerde wel
contact met haar te houden. Maar af en toe maakte ze zulke vervelende
opmerkingen, dat je een paar weken lang dacht: stik maar.
Een gezellige oudere zuster is Pau nooit voor me geweest. Zij was erg met
zichzelf bezig, naar mijn indruk. Het lukte haar ook niet makkelijk een partner
te vinden. Ze had een paar goede vrinden met wie het iets kon worden, dacht
ze, maar dat ging niet door. Ten slotte kwam ze uit bij een jonge ambtenaar,
die uit een ander milieu kwam dan mijn familie en dat vond mijn vader heel
onaangenaam. Pau wilde een huwelijk sluiten waar mijn ouders het niet mee
12
eens waren. Dat gaf nogal eens problemen aan tafel. Ik weet niet meer wanneer
ze getrouwd is, maar wel met die ambtenaar, mijn zwager dus: Paul De Prez.
Hij had in de avonduren rechten gestudeerd en werkte bij ik meen het Bureau
voor de Visserij. Een heel intelligente, keurige vent. Het kostte wat moeite
voordat mijn ouders het jonge echtpaar gingen opzoeken in hun appartement
in Den Haag, terwijl ik er al geweest was. Mogelijk heb ik een verzoenende rol
in dit verhaal gespeeld.
Vakanties
Het was altijd leuk om met de familie op vakantie te gaan. De eerste keer zakten
we met een passagiersvrachtschip de Rijn af. Dat waren toen nog stoomraderboten,
kolengestookte vrachtschepen met accommodatie, waarop je als jochie
stond te kijken naar de stokers bij het ketelruim. Zulke schepen deden vele
havens langs de Rijn aan om vracht te laden of te lossen, dus je kreeg een
aardige indruk van wat er op de Rijn gaande was. Bij Düsseldorf of zo stapten
we dan uit. In het hotel was het ook machtig – en dan heerlijk het Zeven balkonmet vader leo

Vader
J.J.M. de Waal met zoons Joop (re), Nout (mi) en Leo op het balkon van
het ouderlijk huis, rond 1930.
13
gebergte in. Het was drie dagen varen, tien dagen in een hotel en dan terug,
want in die tijd had een werkende man niet langer dan twee weken vakantie.
We gingen ook naar Zwitserland. Heerlijk achter de stoomlocomotief. Er werd
niet zuinig gestookt en in de trein moest je handschoenen aan om geen vuile
handen te krijgen. Grappig was dat mijn vader als officier eersteklas moest
reizen. Dan zaten we tot Bazel eerste klas en verhuisden daar stiekem naar de
derde klas. Dat mocht eigenlijk niet – onzinnig natuurlijk. Maar het idee was
dat de officier, als hij in Nederland reisde, niet met soldaten in dezelfde coupé
terecht zou komen. Ja, daardoor werd mijn vader op kosten gejaagd, zeker als
hij kaartjes voor het hele gezin moest betalen. En die officierssalarissen waren
heus niet zo royaal.
De laatste jaren waren er veel korte vakanties. Mijn vader wilde, gezien de
gezondheidstoestand van mijn moeder, niet te lang wegblijven. Vader, Nout
en ik maakten verschillende aardige trips in Nederland. Wat dat betreft heb
ik het ook heel goed gehad. Een schoolvriendje had een zeilboot op de Kagerplassen.
Daar gingen we dan een paar dagen mee zeilen en sliepen aan boord.
In onze laatste grote reis zat wel een droevig element. Mijn vader had, toen
hij officier werd, van zijn vader een ebbenhouten wandelstok met zilveren
handgreep gekregen. Toen we ergens in Zwitserland bij een meer in een
motorbootje stapten, liet vader zijn stok vallen. Die verdween zo de diepte in.
Een paar vakanties móésten we in Duitsland doorbrengen, omdat mijn moeder
een kuur moest doen met bronwater, voor haar blaas of haar nieren, dat weet
ik niet meer. Dat was in Wiesbaden en in Wieldungen, nog in mijn lagereschooltijd.
Ik herinner me dat mijn vader zei: “Ik moet terug, blijf jij bij je
moeder, die moet doorkuren.” Dan bracht ik daar nog een week als begeleider
van mijn moeder door.
Voorouders
Om een beetje representatief te kunnen leven, moest je eigenlijk ook wat
eigen geld hebben. Nu kwam mijn moeder uit een redelijk bemiddeld gezin,
maar mijn andere grootvader had het niet overdreven breed. Die was artillerieofficier.
Ik heb nog een correspondentie liggen dat hij bij zijn vader E. de
Waal aanklopt om een bijdrage, want zijn dochter – de oudere zuster van mijn
vader – heeft tuberculose en dat brengt kosten voor luxe, gezonde voeding met
zich mee. Deze E. de Waal, mijn overgrootvader, was getrouwd met een meisje
Van der Hucht, een bekende naam uit de theewereld in Indië. Mijn betovergrootvader
is de Van der Hucht die in het boek ‘Heren van de Thee’ van Hella
S. Haasse voorkomt. De Van der Huchten zijn mijn voorouders. Welnu, die
theeonderneming deed het uiteindelijk goed, dus daar zat wel wat geld. Mijn
14
grootvader moest waarschijnlijk wachten tot de dood van zijn vader om wat
extra’s te krijgen.
Nu ik het toch over mijn grootvader heb, twee anekdoten. Hij klom uiteindelijk
op tot generaal – inspecteur van de artillerie was zijn laatste functie – en
introduceerde de 7,5 veldkanonnen die ook in de Tweede Wereldoorlog nog
dienst deden. Een goed stuk geschut. Na zijn pensionering was mijn grootvader
vice-voorzitter van het Rode Krijs. In 1914 breekt er in Indië een of andere
epidemie uit. Dan stuurt de minister van Koloniën een brief naar het Rode
Kruis, dus naar mijn grootvader: “Kunnen jullie een medische expeditie naar
Indië sturen?” Mijn grootvader krijgt dat in orde, een paar artsen, verpleegkundigen
en nog wat, en schrijft terug dat die ter beschikking zijn. Antwoordt
de minister: “Hartelijk dank. Fijn dat het u is gelukt. Ik geef het door aan
meester Bogaardt in Breda.” En wie was mijnheer Bogaardt? Die behandelde
in het parlement voor de KVP de koloniale zaken en bleek de grootvader van
mijn toekomstige echtgenoot te zijn! Ik vind dit zo’n mooie coïncidentie. Mijn
vrouw en ik waren kennelijk voorbestemd om met elkaar in contact te komen.
Ik ben dus met een meisje Bogaardt getrouwd.
Quadrille dansen
Op het lyceum nam ik aan alle evenementen deel. Bij de toneelvereniging
speelde ikzelf geen rol, maar als we eens in het jaar een voorstelling in het
toenmalige Seinpost-theater in Scheveningen gaven, hielp ik bij de organisatie.
Kaartjes verkopen en dergelijke. Ook was er af en toe een klassenavond,
waarbij ik een rol speelde in de organisatie. Een van de activiteiten op zo’n
klassenavond was de quadrille dansen en die leerde ik met een groepje klasgenoten.
Toen jaren later, in 1938, prinses Beatrix werd geboren, was ik net
eerstejaars student. Er werd een groot evenement georganiseerd in de Literaire
Sociëteit – dé sociëteit in Den Haag, op Het Plein – waar toute La Haye
aanwezig was in rok, gala-uniform enzovoort. Ik ging er ook heen en trof
daar een klasgenote van me, het meisje Phaff, die ook in ons dansgroepje
had gezeten. Die avond waren wij de enige jongeren die, toen er een officiële
qaudrille werd gespeeld, konden meedoen! Dan voel je je zo trots, tussen al
die hoge omes met mooie uniformen en ridderordes! Een kostelijke affaire.
Er waren meer bijzondere gebeurtenissen. Het overlijden van prins Hendrik in
1934 bijvoorbeeld. Een witte begrafenis, die we bekeken aan de Rijswijkseweg.
Daar kon je een raam huren in een woonhuis, waaruit je de hele stoet kon zien
langskomen. Het was een uitvoerige ceremonie, erg de moeite waard. Koningin
Wilhelmina liep toen ook de hele rouwperiode niet in een zwarte, maar in een
witte bontjas. Dat was een van de strapatsen van prins Hendrik. Mijn vader, die
na zijn pensionering bij het Rode Kruis zat – net als eerder mijn grootvader –
15

defiledefile2

Bij de pensionering van Leo’s vader, met het 2e regiment Huzaren op het Exercitieterrein in Den Haag. Vader De Waal op het derde paard van rechts. Staand v.l.n.r. Joop, Pau en Leo. Op de achtergrond de huizen van het Nassauplein.
16
17
heeft prins Hendrik nog wel ontmoet. Prins Hendrik was trouwens ook aanwezig
bij de begrafenis van mijn grootvader in zijn functie als voorzitter van
het Rode Kruis.1 Hij kreeg op een goed moment van de prins een foto met
handtekening en de opmerking: “Ik hoop dat u nog eens bereid bent om naar
mijn facie te kijken.”
Beste vriend
Mijn beste vriend heb ik overgehouden aan mijn lyceumtijd. Dat was Karel de
Rooij, die in 1933 in de tweede klas uit Indië kwam. Zijn vader was directeur
van de Javabank in Batavia. Dus Karel had zijn lagereschooltijd helemaal in
Indië doorgebracht. We kwamen ook bij elkaar thuis om huiswerk te maken.
En, wonder o wonder, hij ging ook studeren in Rotterdam. Allebei corpslid
geworden, allebei in dezelfde jaarclub gekomen, en tot zijn dood in ’92 heel
veel contact met elkaar gehad. Onze vriendschap heeft zo’n zestig jaar geduurd.
Met zijn weduwe uit zijn tweede huwelijk heb ik nog altijd goed contact.
Twee andere goede vrinden uit mijn lyceumtijd – aan de lagere school heb ik
er niet veel overgehouden – overleefden de oorlog niet. Een sneuvelde op de
Mokerheide als luitenant bij de huzaren en de ander kwam om met ik dacht
ik een vliegtuig. Dat wil ik telkens nog eens precies uitzoeken, maar ik stel
het altijd uit. Het woord ‘uitstel’ komt op mijn leeftijd makkelijker over mijn
lippen dan vroeger.
Crisistijd
Begin jaren dertig, tegen het eind van mijn lagere schooltijd, zette de crisis
echt goed door. Veel werkloosheid en armoede. Er waren door het halfregiment
huzaren georganiseerde avonden in de manege ten bate van het Nederlands
Crisiscomité. Daar traden de dienstplichtigen op met volteren op de paarden,
sportoefeningen, ritmische gymnastiek, mitrailleurdemonstraties, maar ook als
clown. Zo lieten de jonge huzaren zien wat ze konden. Dat bracht geld op voor
het crisiscomité. De kazerne had twee grote maneges aan de overkant van de
straat. De kazerne zelf had drie grote open maneges met de stallen eromheen.
In die maneges werden rijlessen gegeven.
Eenmaal mocht ikzelf het crisiscomité helpen. Mijn broer Nout had met
vriendjes iets opgezet, een soort showprogrammaatje op de zolder van ons
huis. Wat toneelstukjes, kleine dingen. Ik moest onder meer iets doen in een
oberjasje. Dan werden ouders en buren gevraagd om voor een dubbeltje entree
te komen kijken. Daar haalden we zelfs de krant mee. Zo zie je maar dat je met
een clubje een heleboel kunt bereiken, dat was eigenlijk de charme van zoiets.
1. Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Johan_de_Waal
18
Geen conflicten
Al met al ben ik heel beschermd opgegroeid. Echte problemen had ik niet, ook
niet in mijn puberteit. Ja, ik zal weleens hinderlijk zijn geweest, zoals iedere
puber, maar ik kan me geen grote conflicten met mijn ouders herinneren. En
de crisis ging, omdat mijn vader ambtenaar was, redelijk aan ons voorbij. Zelf
heb ik er weinig last van gehad, maar ik zag wel welke armoede er was. Mensen
hadden moeite om kleren te vinden, er werd veel gebedeld, er waren allerlei
pogingen om werklozen weer aan de slag te krijgen. De hele maatschappelijke
sfeer was benauwd. Maar het ergste van de crisis was bijna voorbij toen ik naar
de middelbare school ging.
Op mijn achttiende vertrok ik naar Rotterdam om te studeren. Daarmee
eindigde de beschermde tijd, waarin ik thuis alles tot mijn beschikking had.
19
2. Mijn studentenleven was intensief
Ik schreef mij in voor de studie algemene economie aan de Nederlandsche
Handels-Hoogeschool, de voorloper van de Erasmus Universiteit, en meldde
mij aan bij het Rotterdams Studenten Corps. Op 23 september 1937 moest je
jezelf de sociëteit binnenvechten. Dat behoorde bij de groentijd die je moest
ondergaan als je corpslid wilde worden. Voor vele verenigingen moest je je
waardig tonen. Alle pedanterie van een scholier wordt in zo’n groentijd door
de ouderejaars op voet van ongelijkheid er uitgehaald. Tijdens de groentijd,
waarin je het samen moeilijk hebt, groeit vaak een goede vriendschap, die voor
je verdere leven van belang is.
Binnenvechten
Voor het binnenvechten stelden de groenen, met kaalgeschoren hoofden en een
zwart petje, zich op voor de remonstrantse kerk op de Westersingel, schuin
tegenover de Rotterdamsche Studenten Sociëteit Hermes, RSS Hermes, aan
de Eendrachtsweg 35. Deze had een souterrain met erboven de beletage, een
soort tussenetage in grote huizen, die een halve verdieping onder en boven
de begane grond lag. Om je binnen te vechten moest je vanaf de straat naar
boven klimmen en dan kwam je via een schuifraam in de sociëteitszalen op de
beletage. Daar was de ontvangst niet vriendelijk, maar werd je meteen duidelijk
gemaakt dat je als feut niks waard was. Eenmaal binnen mocht je naar de
tweede verdieping, waar de garderobe voor de eerstejaars was. Daar vernam
je ook je instructies en het programma van je verdere groentijd, inclusief het
zogenaamde ‘groenenboekje’, met de agenda van de komende twee weken erin.
Na die groentijd van veertien dagen werd je dan plechtig geïnaugureerd tot
lid van het Rotterdams Studenten Corps.
Op de sociëteit heersten redelijk strenge jaarverschillen: het jongere jaar moest
altijd respect tonen voor het oudere jaar. Mijn corpsjaar telde uiteindelijk 39
studenten – een aantal begon iets later. Je had in de groentijd veel contact met
elkaar, leerde elkaar snel kennen en er ontstonden algauw vriendschappen.
Zo moesten we na enige tijd een jaarbestuur benoemen. Ik werd secretaris en
twee van mijn toekomstige clubgenoten werden voorzitter (Arnold Stuurman)
en penningmeester (Piet Kranenberg). Niet dat die penningmeester belangrijk
was als beheerder van geld, maar meer als functionaris. We werden goede
vrinden. Na het afstuderen werd zo’n jaarbestuur bijna automatisch reüniecommissie en ik zou naderhand, als commissaris, nogal wat reünies van mijn jaar organiseren. Met name vanaf 1987 ben ik daar druk mee geweest, toen
we vijftig jaar geleden geïnaugureerd waren.
20
Druivenplukkers
In de loop van de herfst moesten de eerstejaars clubs vormen en al die clubs
hadden een motto. Ik kwam in de club die we ‘Druivenplukkers’ noemden,
naar het gelijknamige boek van A. den Doolaard, onder het motto: ‘Na hard
werken is het goed drinken.’

galaRSC

Als tweedejaars student tijdens de jaarclub in 1938, Leo zittend eerste van links

Het was een club van negen, die het heel goed met elkaar konden vinden: behalve Arnold Stuurman en Piet Kranenberg en ikzelf ook Everhardt Koppius, Willem de Pesters, Karel de Rooij, Robbie Hollander, Willem von Knobelsdorff en Siegfried Berndt. We zagen elkaar op de sociëteit – dat was de eerste plek waar je naartoe ging om je vrinden te zien, te eten en te feesten – maar ook erbuiten. Dat moet je niet idealistisch zien: je club was puur een extra vriendschap in je jaar, voor de gezelligheid, zonder speciale doelstelling. Onze club is tot aan de dood intensief bij elkaar gebleven. Na onze studietijd hielden we regelmatig reünies, soms ook met partners, en als een

21
clubgenoot ging trouwen of een jubileum had, waren wij altijd zoveel mogelijk
aanwezig. Zo beleefden we elkaars bijzondere gebeurtenissen altijd mee.
Clubgenoot Piet Kranenberg werd later via de Amstel-brouwerij lid van de
directie van Heineken en deed veel voor de stad Amsterdam. Een bekende
naam. Hij werd wel ‘Pietje Beton’ genoemd, omdat hij bij bedrijven altijd geld
voor goede doelen wist te verzamelen. Ook mijn vriend Karel de Rooij werd
dus Druivenplukker. Hij ging bij de Shell werken, net als twee andere clubgenoten:
Rob Hollander en Everhard Koppius, de enige clubgenoot die nu nog
leeft.
De ploerterij
Het studentencorps had een huisvestingscommissie, waar je kameradressen
kon krijgen. Ik woonde zeer verschillend, want heb heel veel kamers gehad. Ze
waren allemaal gemeubileerd, soms met een opklapbed, soms met een gewoon
bed. Een en ander werd verzorgd door, zoals wij een pension noemden, ‘de
ploerterij’. Daar had je de afspraak mee dat je het in een ‘het boekje’ invulde
als je iets nodig had. Je kon melk of brood bestellen, opschrijven ‘breng een
stukje kaas mee’ of iets dergelijks. Het pension kocht dat soort boodschappen
dan voor je en je betaalde eens per week of zo. Je kon ook vragen om een bakkie
koffie. Een soort bed & breakfast dus; je moest wel zelf je boterhammetje
smeren. Ik had één heel goedkope kamer, ik geloof dat ik daar 15 gulden per
maand voor betaalde en dan kreeg je er nog een ontbijt bij ook, met een eitje.
Op een andere kamer, die ik samen met clubgenoot Stuurman deelde, kregen
we ook voor een dergelijk klein bedrag een lunch met iets warms. Dat was
een kamer met twee chambrettes. In die Rotterdamse huizen – en misschien
ook elders – had je vaak een tussenkamer en die was hier in twee slaapcabines
gedeeld. We woonden er denk ik een halfjaar.
Ik heb in Rotterdam dus nogal wat adressen versleten, altijd in het Westen. De
hogeschool was aan de Pieter de Hoochweg en de sociëteit aan de Eendrachtsweg,
dus je leefde vooral aan die kant van de stad. Bijvoorbeeld in Kralingen
kwam ik zelden, maar wel in het centrum. De stad was een heel andere dan nu;
helaas is Rotterdam sterk veranderd. Het centrum was een bijzonder gezellige
buurt, met ’s avonds op de Coolsingel een soort pantoffelparade van mensen,
aardige cafés en dat soort gelegenheden. De haven was nog echt bij Rotterdam,
de schepen legden bijvoorbeeld aan bij de Boompjes. Daardoor was er ook
behoefte aan uitgaansmogelijkheden voor de zeelieden. Een van de uitgaanscentra
was de Schiedamsedijk, een veelbezongen buurt, maar wel netter dan
de Walletjes. Je kon er met een gerust hart met je vrouw naartoe. Wij kwamen
er als studenten vaak. Je had er twee dancings en verder allerlei kroegjes.
Daar dronk je als arme student een deukje, een kleine bier, voor 13 cent of
een echt glas bier voor 18 cent.
22
Op je budget letten
Ik had een maandgeld van 125 gulden. Dat was ongeveer hetzelfde als een
ongeschoolde arbeider in die tijd verdiende: zo’n dertig gulden in de week.
Daarbij waren er wel een aantal zaken die ik niet hoefde te betalen, omdat mijn
ouders die voor hun rekening namen. Zo werd mijn was thuis gedaan, werden
nieuwe kleren nog door mijn ouders betaald. De kamerhuur betaalde ikzelf, net
als mijn corpslidmaatschap. Dat lidmaatschapsgeld was mede afhankelijk van
het maandgeld dat je kreeg, dus daar werd rekening mee gehouden. Ook kleine
dingen als nieuwe zakdoeken en sigaretten moest ik zelf betalen. Eten deed je
op de sociëteit, redelijk goedkoop en redelijk van kwaliteit, en ’s avonds dronk
je een of meer glaasjes bier. Je at met reductie als je een bonboekje nam voor
tien maaltijden. Hoewel het een goedkope tijd was, moest ik wel op mijn
budget letten. Maar dat sprak me als toekomstig econoom wel aan. Ik woonde
bijvoorbeeld in een kamer met ontbijt en lunchte met een half flesje melk, een
soort cruesli in koekjesvorm en een sinaasappel. En dan op de sociëteit eten.
Om mijn ouders te bezoeken, maakte ik regelmatig gebruik van de zogenaamde
‘wilde bussen’. Dat waren heel oude autobussen, die op de Coolsingel startten
en je voor een kwartje naar Den Haag brachten. Ze reden naar het Spui en dan
was ik op loopafstand van mijn ouderlijk huis, dus dat spaarde me nog een trammetje
uit ook. Die bussen haalden niet altijd Den Haag, zo oud waren ze. Dan
moest je als passagier wachten op de volgende. Maar ik ben nooit gestrand.
Eind 1938 werd ik lid van de Senaat, het bestuur van het studentencorps. Daarvoor
moest ik een jacquet en een rok en een hoge hoed hebben. Die betaalden
mijn ouders. Bovendien ging mijn ‘salaris’ met een tientje omhoog naar 135
gulden, want ze vonden het nuttig dat ik in de Senaat kwam. Dat betekende
toch wel een zekere onderscheiding.
Door de Senaat was je wat duurder uit, omdat je geacht werd iedere dag op
de sociëteit te zijn. En dan dronk je natuurlijk wat en wilde je niet krenterig
zijn, dus bood je een ander iets aan. Het normale krediet dat binnen de sociëteit
was toegestaan, bedroeg 250 gulden, en voor een bestuurder, van zowel
de Senaat als het sociëteitsbestuur, 400 gulden. Een héél bedrag in die tijd.
Daar moest ik later, nadat ik aan het werk was gegaan, nog wel het nodige
van aflossen.
Representatieve taken
Als Senaatslid had je veel representatieve taken. Hoewel het corps nog maar
een clubje was van zo’n 130 mensen, werden we bij veel gebeurtenissen uitgenodigd.
Wanneer bijvoorbeeld de postharmonie, ik noem maar wat, een
of andere bijzondere uitvoering gaf, zaten wij als Senaat vooraan, netjes in
23
senaatRSCDe Senaat van het Rotterdamsch Studenten Corps, Leo tweede van links,
december 1938.
jacquet, dus opvallend. De PTT had toen een eigen harmonie, net als de RET.
Ook bij voetbalwedstrijden om de zilveren bal tussen Sparta en Feyenoord
zaten wij op de eerste rij. Met een krans voor het winnende elftal. Daar werd
je toch maar bij gevraagd. Als er wat bijzonders in het stadhuis was, zoals een
nieuwjaarsreceptie, werd je meestal ook officieel uitgenodigd. En de burgemeester
liet zich graag tot erelid van het corps benoemen. Ikzelf maakte
burgemeester Oud als erelid mee. Dan ontvingen we hem op de Senaatskamer
voor een etentje. Met dit relatief kleine gezelschap hadden we dus toch een
speciale plaats in de Rotterdamse samenleving. De stad vond het kennelijk
ook heerlijk dat er een studentenleven bestond. Als je bedenkt dat de hele
hogeschool toen in totaal niet meer dat zes- á zevenhonderd ingeschreven
studenten telde, is dat wel even wat anders dan de massale cijfers van nu.
Het was in die tijd allemaal wat persoonlijker dan vandaag. De Senaat werd
bijvoorbeeld altijd uitgenodigd voor een dinertje ten huize van de rectormagnificus.
En als een nieuwe hoogleraar zijn inaugurele rede had gehouden,
werd deze ook altijd gevraagd een bezoek aan de sociëteit te brengen. Verder
had de academische Senaat met de dies natalis, zo heet de jaarviering in academische
kringen, op 8 november altijd een diner en dan gingen wij de hoogleraren
afhalen om te vragen of ze nog een afzakkertje kwamen nemen bij
ons op de sociëteit.
24
Er was ook een vrouwelijke studentenvereniging, maar die was apart. Dat is
nu nog steeds zo, alleen in Rotterdam en ik dacht Utrecht. Wij hadden daar
wel contact mee, maar vrij bescheiden. Zo was het gewoonte om als senator
voor speciale gelegenheden een bestuurslid van de vrouwelijke studentenvereniging
uit te nodigen, iets wat ik ook een keer heb gedaan. We kwamen
ook op elkaars jaarrecepties, de Senaat van de mannelijke en het bestuur van
de vrouwelijke studentenvereniging. Zij zaten in een clubhuis – ik geloof
niet dat je dat vroeger ‘sociëteit’ mocht noemen – op de Heemraadssingel.
Dictaten
Verder roeide ik in mijn studententijd wedstrijden. Het corps had een eigen
roeivereniging, maar geen eigen materiaal. Wij mochten gebruikmaken
van het materiaal van de Koninklijke Roei- en Zeilvereniging De Maas, die
een loods had liggen aan de Albertskolk. Leden van De Maas stelden zich
beschikbaar om een eventuele wedstrijdploeg te coachen. De band was dus
goed. We mochten op wedstrijden nog niet uitkomen onder de naam Skadi,
zoals de roeivereniging van het corps heette, maar als Maas-Skadi, in
Maas-kleuren. Dat was een frustratie. Ik werd slag van de overnaadse vier.
De andere ploegleden waren allemaal jaargenoten. We kwamen onder andere
uit in de wedstrijden tegen een ploeg van De Hoop uit Amsterdam, waarin
mijn broer Naut zat. Die was helaas, mede door hun hogere leeftijd, wat sterker
dan wij, zodat we het nooit verder brachten dan tweede na De Hoop.
Al met al was mijn studentenleven heel intensief. Ook die studie algemene
economie erbij doen, was natuurlijk een opdracht. Maar ik had in die periode
weinig slaap nodig, dus ik kon me al die functies permitteren. Ik liep niet alle
colleges af, want je kon ook dictaten krijgen. Er waren repetitoren die hadden
heel slim een paar studenten ingehuurd die keurig college liepen en in staat
waren om goede dictaten ervan te schrijven. Zij tikten alles uit en als je je bij
een repetitor inschreef, kreeg of kocht je, dat weet ik niet meer, zo’n dictaat.
Zo kon je je gemiste collegestof toch meepakken. Daarnaast werd je natuurlijk
geacht boeken te lezen enzovoort. Ik had zelf ook tot die studenten kunnen
behoren als ik een trouwe collegebezoeker was geweest. Ze zullen er wel wat
aan verdiend hebben, maar ik heb geen idee hoeveel.
Mobilisatie
In 1939 werd Nederland gemobiliseerd, wat natuurlijk ook invloed had op het
studentenleven. Velen hadden een mobilisatiebestemming en verdwenen al dan
niet definitief uit Rotterdam. Sommigen kregen ontheffing om hun studie af
te ronden, maar waren wel onmiddellijk oproepbaar. Daardoor zagen we in de
sociëteit ook wel eens wat vrinden in uniform binnenwandelen. Hoewel niemand
de overtuiging had dat ons leger afdoende geoefend en uitgerust was
25
roeienRSC                               Leo als slag van de overnaadse vier, de voorste roeier.

26
om tegen een buitenlandse vijand weerstand te kunnen bieden, meenden we
toch dat ons land wel neutraal zou blijven.
De Duitse inval op 10 mei 1940 doorbrak deze illusie ruw. Ineens vlogen over
heel Nederland vliegtuigen. Er werden parachutisten afgeworpen, er vonden
landingen plaats om troepen aan de grond te zetten in het westen, achter onze
verdedigingslinie. Onder andere bij de Maasbruggen en op vliegveld Waalhaven.
De eerste dag verheugden we ons er nog op om te zien hoe fel het afweergeschut
werkte. Dan stond je rustig buiten te kijken, totdat je de scherven op de
grond hoorde vallen en begreep dat je beter naar binnen kon gaan. Waalhaven
werd snel door de Duitsers veroverd, maar gelukkig hoorden we het gedonder
van een artilleriebatterij die was opgesteld in het Kralingse Bos. De geschutsleiding
werd bijgestaan door een waarnemer op een van de pakhuizen in de
Maas- of Rijnhaven, die met zijn kijker kon zien of er doelmatig was gericht.
Het is gek dat je dan toch troost vindt in het feit dat er raak geschoten wordt.
Gebombardeerd
In de meidagen van 1940 woonde ik op de Heemraadssingel, vlakbij de haven,
en dacht: ik ga bij een vriendje in Kralingen onderdak vragen, want de haven
wordt straks natuurlijk gebombardeerd. De familie Van Vollenhoven die daar
woonde, aan de Hoflaan, had twee zonen en – dat was een van de aantrekkelijkheden
om daarheen te gaan – twee lieve meisjes als ‘paying guests’. Die had
ik allebei al eerder ontmoet en op één – Loekie Wildervanck de Blecourt – had
ik een oogje. Bij de indeling van de slaapgroep ’s nachts werd zorgvuldig de
dienstbode tussen de jongens en de meisjes gelegd. Ik sliep daar twee nachten.
Ik was er al voor het bombardement van 14 mei, niet op de haven, maar op het
centrum. Naast mijn logeeradres, in de tuin van burgemeester Oud, viel een
bom, maar die ontplofte niet. Het was echter wel zo beangstigend dat we, toen
het korte maar zeer intense bombardement afgelopen was en overal alles in
brand stond, met de hele familie naar het oosten vluchtten en ergens, ik vermoed
in Capelle, de nacht doorbrachten op een tuinderij.
De volgende dag gingen we terug naar de Hoflaan, waar alles gelukkig nog
helemaal overeind stond. Er moest eten gekocht worden voor het hele gezelschap
en dat nam ik op mij. Ik ging wat dingen kopen, weet niet meer precies
waar, want ik kende dat Kralingen nauwelijks. Ik vond in elk geval iets dat erg
lekker was. Dus ik de volgende dag weer naar die winkel toe, waarschijnlijk
ergens op de Oudedijk, de Voorschoterlaan misschien. Stond die winkel er niet
meer! Weggebrand. Zo zag je dat twee dagen na dat bombardement die brand
nog steeds niet uitgewoed was.
27
Vrijwilliger
Ik gaf me op als vrijwilliger bij een soort burgernachtwacht. Heel gewichtig.
Mocht ik, hoewel het niet was toegestaan voor de gewone man om ’s nachts
te wandelen, wel de straat op. Om een oogje in het zeil te houden, te kijken of
er bijvoorbeeld geen NSB’ers en dergelijk soort lieden waren, die met lichtsignalen
de Duitsers zouden helpen. Ik liep ook door brandgangen, had een
armband om. Maar geen wapen!
Na de capitulatie meldde ik me aan als puinruimer. Het stonk erg in de stad.
Er waren bijvoorbeeld pakhuizen met daarboven woningen van handelaren.
Daar lag tabak, van alles, en als dat gaat branden, stinkt dat met elkaar heel
lekker. Dat puinruimen deed ik een halve dag. Want wat gebeurde er? Werklozen
moesten verplicht ook puinruimen en zij wilden een dubbeltje extra per
uur. ‘Omdat we er nu voor moeten werken.’ Uiteindelijk gingen ze in staking.
Toen dacht ik: ik laat mijn riek maar achter en ga naar de sociëteit. Daar hielp
ik bij het inzamelen en sorteren van kleding voor dakloos geworden burgers
van Rotterdam.
Ik geloof dat ik de daaropvolgende dag de fiets pakte om naar mijn ouders
te gaan, om te laten zien dat ik nog in goede staat verkeerde. Dat was een
bijzondere tocht. Langs de weg naar Den Haag lagen heel wat neergehaalde
en mislukt gelande, motorloze vliegtuigen van de Duitsers. Die hadden een
luchtlanding proberen te maken. Voordien had ik al gezien dat op die weg
oude vrachtauto’s en bussen schuin waren neergezet, zodat er geen vliegtuigen
konden landen. Duitsers die een landing trachtten te maken, moesten dat
dus in de berm doen. Wat dat betreft was het fietstochtje niet onaangenaam.
Weggevaagd
De schade van het bombardement gevolgd door uitgebreide branden was
enorm. Vrijwel het gehele centrum lag plat en later zou blijken dat zo’n
80.000 Rotterdammers dakloos waren geworden. Hoewel de opperbevelhebber
Winkelman nog juist voor afloop van het ultimatum de capitulatie had aanvaard,
was het bombardement toch doorgegaan, omdat ofwel de Duitsers het
afblaassignaal niet stuurden ofwel het signaal niet door het eskader werd
begrepen. De Eendrachtsweg was gespaard gebleven, maar een stuk van de
Witte de Withstraat was beschadigd en het hele kwartier van de Schiedamsedijk
compleet weggevaagd. Op de Coolsingel waren maar een paar gebouwen
blijven staan, zoals de Nieuwe Beurs, het Schielandshuis, het hoofdpostkantoor,
het nieuwe stadhuis en Hotel Atlanta. En ik dacht ook nog een stukje van het
gemeentelijke Coolsingel-ziekenhuis. Er waren zo’n tweeduizend slachtoffers,
maar ik heb geen dode mensen gezien, ook niet bij het puinruimen. Wel de
verwarring uiteraard.
28
En dan is het toch merkwaardig hoe snel het leven weer op gang komt. Want
al vrij snel gingen er weer trams rijden, met beperkte routes uiteraard. Het
treinverkeer kwam weer op gang. Het Hofplein Station was gespaard gebleven,
zodat je weer met het Hofplein-treintje mee kon. Mijn leven kon ook vrij gewoon
doorgaan, want de eerste tijd was er nog geen distributie. Op de sociëteit
was er nog altijd ruimte voor een drankje, je kon er nog eten en de winkels
waren nog redelijk bevoorraad.
Kandidaats
In elk geval lukte het mij om na drie jaar mijn kandidaats te behalen, uiteindelijk
in oktober 1940. Eind mei deed ik mijn eerste poging, maar door de
gebeurtenissen in die meidagen had ik de laatste snufjes van de studie niet
goed in mij opgenomen. Vijf maanden later kreeg ik een tweede kans om
examen te doen. Je deed dat in twee stukken: drie vakken als tentamen en ten
slotte drie vakken als examen. De tentamens deed je bij de hoogleraar thuis en
het examen, als je het goed deed, in jacquet, op de hogeschool, tegenover een
commissie van drie vakdocenten en ik geloof een extra hoogleraar. Ik deed
de vakken algemene economie; geld, krediet en bankwezen en economische
historie.
Als die oorlog er niet was tussengekomen, had ik waarschijnlijk in mei mijn
kandidaats gedaan en in september 1940 moeten opkomen voor mijn officiersopleiding
in Amersfoort. Dat zou me een jaar gekost hebben. Mijn doctoraal
ging ook niet door mede vanwege de oorlog. Aanvankelijk was ik niet van
plan voor het doctoraal door te gaan, maar ik vond het onderwerp economie
wel interessant. Ik liet me nog wel voor het doctoraal inschrijven, schreef
zelfs een scriptie over – heel actueel nu – Griekenland, maar daar bleef het bij.
Toen dacht ik: ik heb nu mijn kandidaats, laat ik maar een jaar praktijk gaan
doen. Bij de broer van clubgenoot Hollander, die directeur was van de Bond
van Adverteerders, kon ik een baantje krijgen. In januari ’41 vertrok ik naar
Amsterdam.
Bond van Adverteerders
De Bond van Adverteerders was gevestigd op een van de grachten, in het
gebouw van de Amsterdamse Bank. De bond beschermde de belangen van de
adverteerders. Je had het systeem van de regelprijs, daarmee kon je de kosten
van een advertentie berekenen per standaardkolombreedte van 5 centimeter
en een bepaalde hoogte. Ik heb daar onder andere gewerkt aan een systeemkaart.
Daarop stonden alle gegevens per blad en per krant, zoals kolombreedte,
hoogte in millimeters, eenheidsprijs, verspreiding. Een van mijn andere taken
was de oplagecontrole van kleine dagbladen, zoals de Apeldoornse Courant,
de Doetinchemse Courant, alle kranten met abonnees. Dat was ook aardig.
29
Ik kwam door het hele land, achter de stoomlocomotief, logeerde in kleine
hotelletjes. Ik heb door die Bond van Adverteerders heel wat van het land
gezien – en leren waarderen. Nederland is mooi!
Voordat ik in ’42 gegijzeld zou worden, woonde ik dus eerst anderhalf jaar in
Amsterdam. Het was leuk, want in die tijd waren op zondag de grachten nog
leeg, zonder auto’s, en waande je je in de Gouden Eeuw. Die grachten waren
zo mooi, een vreugd om er te wandelen. Amsterdam was een bijzondere stad.
De trams reden nog wel allemaal, treinen ook. Dus in het weekend ging ik
dikwijls met het openbaar vervoer naar mijn ouders. Het duurde wel een paar
maanden voordat dingen aan beperkingen onderhevig werden en de distributie
van voedingsmiddelen voelbaar begon te worden. Dat was vooral in de
grote steden gauw merkbaar. Op het platteland wat minder. Dus als ik mijn
tochtjes voor de Bond van Adverteerders maakte, kreeg ik in die hotelletjes
nog altijd wel zonder bonnen iets extra’s te eten.
Broer Joop krijgsgevangene
Hoe verging het mijn broers en zuster? Mijn oudste broer, Joop, was in ’36
naar Indië vertrokken. Hij was ook van plan geweest om in Rotterdam te
gaan studeren, maar toen hij er eenmaal was, beviel het studeren hem niet.
Te theoretisch. In plaats daarvan trad hij in dienst van de Indische Handelsbank
voor uitzending naar Indië. Hij verbleef eerst in Batavia en ging naderhand
naar Medan. Hij werkte er bij een dochter van de bank: Handelsmaatschappij
Dunlop. Zal dus wel iets met rubber zijn geweest. Hij leerde daar
Gepke kennen, met wie hij trouwde op 11 januari 1940, de verjaardag van
mijn vader. Die was er niet blij mee dat Joop juist die dag uitgezocht had, want
hij hield er ernstig rekening mee dat hij zijn zoon nooit meer terug zou zien.
En daar kreeg hij gelijk in.
Mijn broer was dienstplichtig grenadier en werd als krijgsgevangene naar
de Birma-spoorweg gebracht. Dat overleefde hij niet, hij stierf algauw
aan dysenterie. We ontvingen nog wel een Rode Kruis-bericht dat hij was
afgevoerd naar Birma, maar wanneer het bericht van zijn overlijden kwam,
weet ik niet meer precies. Hij ligt begraven op de oorlogsbegraafplaats in
Birma – ik heb een paar jaar geleden van een vriend van mijn dochter
Mariëtte een foto van zijn graf gekregen. Ik herinner me nog, toen we in
1936 afscheid van Joop namen op het station van Den Haag, waar hij de
trein naar Marseille of Genua nam voor zijn overtocht naar Indië, dat mijn
vader zei: “Die zien we nooit meer terug.” Als alles goed was gegaan, was
mijn broer in 1942 naar Nederland gekomen. In die tijd kreeg je na zes jaar
vier tot zes maanden Europees verlof. Van Joop had ik dus al afscheid genomen
voordat ik naar Rotterdam ging.
30
Deutschfreundlich
Mijn zuster Pau, getrouwd met Paul De Prez, woonde eerst in Den Haag,
in de Paul Gabriëlstraat. Ook haar zag ik in mijn studententijd regelmatig.
Bijvoorbeeld wanneer ze als echtpaar bij mijn ouders langskwamen. Het was
een moeilijk huwelijk en het hield dan ook geen stand. In de oorlog, ’42 of
’43, liet Paul zich in Amsterdam benoemen tot rechter. Dit betekent dat hij
deutschfreundlich was – en mijn zuster dus anglofiel. Ze verhuisden toen
naar Amsterdam, naar de Paulus Potterstraat. Vrij kort na de oorlog gingen
ze uit elkaar. Maar ze hadden schijnbaar nog een verzoeningstijd, want er
werd een dochter geboren terwijl ze eigenlijk al niet meer getrouwd waren.
Die dochter, Sandra, is van augustus ’47. Pau en Sandra trokken in bij mijn
ouders op de Surinamestraat. Tegen het eind van de oorlog had Paul zich
nog aangemeld bij de Nederlandse SS, omdat hij van mening was dat het
communisme gevaarlijker voor Europa was dan het nazisme. Daar had hij
nog een beetje gelijk in ook. Hij kreeg later een veroordeling, mocht uiteraard
niet meer terug in de rechterlijke macht en werd leraar op een school.
Ik heb hem nadien nog één keer ontmoet, op een landdag voor het economisch
onderwijs, waar ik toen voorzitter was en hij als belangstellende in de
zaal zat.
Blauwhoedenveem
Mijn andere broer, Nout, ging na zijn eindexamen hbs-B aan het Nederlands
Lyceum in 1936 voor een jaartje naar Engeland als paying guest. Bij terugkomst
vond hij een baan in Amsterdam bij Blauwhoedenveem. Dat opslagbedrijf
zou naderhand onderdeel van Pakhoed worden. In Amsterdam zocht ik
hem weleens op. In 1937, toen ik mijn eindexamen had gehaald, kreeg ik een
royaal cadeau van mijn grootmoeder, dat ik meteen omzette in autorijlessen.
Prompt haalde ik mijn rijbewijs. Kort daarop was er een reüniebijeenkomst
van het Nederlands Lyceum. Voor die gelegenheid ging ik Nout in Amsterdam
afhalen in een huurauto, een Willys, een klein type Amerikaanse auto.
Toen ik in januari ’41 in Amsterdam ging werken, had mijn broer een kamer
op de Weteringschans, tegenover het Rijksmuseum. Daar trok ik bij hem in.
Totdat hij terugging naar Den Haag, omdat Blauwhoedenveem, dat als opslagbedrijf
afhankelijk was van de internationale scheepvaart, geen emplooi meer
voor hem had en ik zijn kamer kon overnemen. Mijn broer trok weer bij mijn
ouders in en kwam bij de voedselvoorziening te werken. Hij was toen al verloofd
met Onkie Rederer. Zij huurden een etagewoning aan de Prins Hendrikstraat
19. Ik woonde in Amsterdam tot 12 juli ’42. Toen werd ik opgepakt als
gijzelaar en daarmee hield mijn Amsterdamse verblijf op.
31
3. Niet bang voor het vuurpeloton
Al in Rotterdam was ik als kaderlid actief bij de Nederlandsche Unie. Deze unie,
die in juli 1940 was opgericht door het driemanschap Jan de Quay, Johannes
Linthorst Homan en Louis Einthoven, had als doelstelling een organisatie
te vormen waarin de Nederlanders zich nog verenigd konden voelen tijdens
de bezetting. De bedoeling was tevens om gezamenlijk na te denken over de
toekomstige staatsvorm van ons land na de bevrijding. Ik dacht in de Nederlandsche
Unie een organisatie te vinden die ons nationaal erfgoed goed zou
bewaken en de saamhorigheid zou bevorderen.1
Nederlandsche Unie
Als kaderlid kreeg je onder meer cursussen om de gedachten die zich ontwikkelden,
te kunnen overdragen aan een groep leden in je omgeving. Zo hield ik
een aantal keren in Rotterdam voordrachten. Een van de ideeën was om onder
andere te kijken naar het corperatief stelsel zoals Salazar, de premier van
Portugal, dat had ontwikkeld. Achteraf bezien waren die gedachten binnen de
unie niet helemaal zuiver. Naar mijn mening ging het iets te veel in de richting
van het fascisme. Het coöperatief stelsel werd na de oorlog wel in beperkte
mate ingevoerd. Bijvoorbeeld de Sociaal Economische Raad is er nog een overblijfsel
van. Het was op zichzelf best interessant om mee bezig te zijn. Toen
ik naar Amsterdam verhuisde, meldde ik me dan ook weer aan bij het lokale
bestuur van de Nederlandsche Unie, die inmiddels een grote organisatie was
geworden. We liepen allemaal met het Unie-speldje op met de Nederlandse
leeuw. Ook in Amsterdam fungeerde ik weer als kaderlid.
De Nederlandsche Unie werd in december ’41 door de Duitsers verboden. Ook
na de opheffing gingen we door met een aantal van de mensen die lid waren,
althans die zich nog lid vóélden. Dat was dus min of meer illegaal. Het was de
eerste stap naar illegaliteit, maar verder ben ik daarmee nooit gekomen, mede
doordat ik in juli ’42 werd opgepakt, waarschijnlijk vanwege het lidmaatschap
van de Nederlandsche Unie. Naar wat ik begrepen heb – niemand weet het
zeker – hadden de Duitsers royaal namen geplukt uit de lijst van kaderleden.
Nout trouwde op 11 juli ’42 met Onkie Redeker in Amsterdam. Ik was getuige
bij het huwelijk van mijn broer, dat werd ingezegend door dominee Koningsberger.
Ik zag op die zaterdag ook mijn ouders, dus besloot ik het weekend niet
naar Den Haag te gaan, wat ik meestal wel deed. Daardoor troffen de Duitsers
1. Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Nederlandsche_Unie
32
mij in de nacht van zondag 12 op maandag 13 juli thuis in mijn pension. Om
een uur of half zes stond er een Duitse Polizeimann voor mijn bed. Of ik maar
wilde opstaan, een koffertje pakken en meegaan. Ik vroeg nog aan een huisgenoot
om mijn ouders te melden dat ik opgepakt was. Dat heeft hij schijnbaar
niet gedaan, als ik de memoires van mijn vader begrijp. Mijn ouders hoorden
pas na een dag of vijf waar ik was.
Preventiv Geissler
Ik was een van de velen die van hun bed waren gelicht. We werden naar het
Polizei-bureau in de Euterpestraat gebracht. En dan maar afwachten wat de
bedoelingen waren. De spanning was te snijden. Er werden telkens nieuwe
mensen binnengebracht en op een goed moment stapte dominee Koningsberger
binnen, die ik net had leren kennen. Het was toch een prettig idee dat er
iemand was die je kende. Even later was er wat gebrul en toen werd ook de
broer van de dominee, professor Koningsberger uit Utrecht, binnengebracht.
Zo verzamelde zich langzamerhand een menigte mannen, niet wetende wat
hen te wachten stond. Tot er een Polizeimann van de Sicherheitsdienst, met
een mooie pet op, ons vertelde dat wij waren opgepakt als preventiv Geissler.
Om ter beschikking te staan voor het vuurpeloton als er ergens in het land
sabotage werd gepleegd tegen de Wehrmacht. Dat was geen vrolijke mededeling.
Ons toekomstig lot werd er niet leuker op.
We werden ondergebracht in het grootseminarie in Haaren, met twee a’s, in
de buurt van Vught. De chauffeur van de overvalwagen die ons daarnaartoe
moest brengen, bleek op weg te zijn naar Haren met één a. Tot grote hilariteit
van zijn passagiers moest ie zijn koers wijzigen.
Het seminarium2 was een groot gebouw met enerzijds leslokalen, eetzalen
en uiteraard een kerkzaal, en anderzijds studiekamers voor de studenten – die
ieder een eigen kamer hadden – die nu gebruikt werden als cellen voor gevangenen.
Dus in Haaren zaten heel wat bekende Nederlanders, niet alleen als
gijzelaar, maar ook als gevangene. Ik werd ondergebracht in een leslokaal met
achttien bedden – stapelbedden – in een heel gemengd gezelschap, onder wie
dominee Koningsberger. Hoe de indeling was, heb ik nooit begrepen. Er zat
bijvoorbeeld ook een professor Heringa uit Leiden bij, dus het waren niet
alleen Amsterdammers bij elkaar.
Rode baard
De eerste twee dagen waren niet erg aangenaam. Er werd weinig georganiseerd.
Het enige wat je kreeg was een soort gerstepap en twee zure boterhammen
2. Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Kamp_Haaren
33
Duits brood met een stukje worst. Zeer primitief. De wasgelegenheid was dat
ook. Er was een wastrog aangebracht in de toiletruimte en het rook er niet fris.
Daarom besloot ik me alleen een beetje te wassen en niet te scheren. Ik heb
in mijn hele gijzelaarstijd met een rode baard rondgelopen. FotoGijzelaarGillette-mesjes
waren trouwens toch moeilijk te krijgen. Ik bezit nog een portret van mijzelf, dat in het kamp werd getekend door de Amsterdamse hoofdinspecteur van politie Van der Voort, cursist bij de bekende portretschilder Karel van Veen.
Maar langzaamaan kwam dat leven in Haaren op gang. Als kampleider werd aangewezen professor Goudriaan, die hoogleraar was geweest in Rotterdam en bedrijfskunde had gedoceerd op de Handels-Hoogeschool. Inmiddels was hij directeur van de Nederlandse Spoorwegen geworden, waar hij, al voor de
oorlog, het weekendretour introduceerde. Daar had ik als student ook wel
van geprofiteerd. De voedingssituatie werd iets verbeterd. Bovendien was
er al spoedig het zogenaamde ‘karretje van Haaren’, waarin de boeren uit
de omgeving nuttige etenswaren naar ons toe mochten brengen, die wij dus
extra kregen. Er zat brood tussen, maar vooral ook groente, aardappelen en
dat soort dingen van het land. We konden het daardoor goed volhouden.
Leo als gijzelaar met rode baard, 1943.
34
Communicatie met familie
De situatie was het ook merkwaardig dat de Duitsers zich niet bemoeiden met
de interne organisatie. Zolang er maar geen gekke dingen gebeurden, vonden
ze alles goed. Wel werden je brieven gecensureerd. Je mocht in het begin
twee brieven per week versturen en kleding en andere goederen laten komen.
Er werd een systeem ontwikkeld voor de communicatie met familie c.q. het
ouderlijk huis, waarbij kistjes met een omkeerbaar deksel werden gemaakt.
De ene keer zat het adres van, in mijn geval, je ouderlijk huis boven en de andere
keer het gijzelaarsadres aan de andere kant. Dat werd door de posterijen
verzorgd. We hadden ook een postmeester, dat was Willem Ruys, directeur van
de Rotterdamse Lloyd. Hij zorgde ook voor dekstoelen, die hij liet overkomen
van zijn rederij, zodat we behoorlijke stoelen hadden om in de tuin in te zon te
zitten. Dat kon hij makkelijk doen, want de passagiersvaart lag toch stil.
Bij dat seminarium hoorde een grote tuin met sportveld en tennisbaan, zodat
we ook konden sporten. Frits Philips regelde dat die tennisbaan verbeterd
werd. Er werden fitnessmiddagen georganiseerd, onder leiding van een sportleraar
die ook opgepakt was. Al vrij snel kwam er een voetbal binnen en de
eersten die daartegen trapten waren de paters met lange rokken, waaruit bleek
dat ze kennelijk ook een redelijke sportopleiding hadden gekregen. We organiseerden
zelfs een wedstrijd van paters tegen de rest van Nederland. Toen
speelden ze wel in korte broek.
Cursussen en lezingen
Voor mij was het een heel interessante tijd. Aan de ene kant was ik niet bang
voor het vuurpeloton te komen staan; ik was te jong, woonde pas anderhalf
jaar in Amsterdam, dus de Duitsers konden mij niet gebruiken als schrikbeeld
voor de buitenwereld. Zo van: “O kijk, zelfs híj wordt neergeschoten.” Mijn
enige angst was dat ik naar Duitsland zou worden afgevoerd. Aan de andere
kant was het boeiend dat ik leefde te midden van, zeg maar, doorsnee Nederlanders
met de klemtoon op de bovenlaag: veel hoogleraren, dominees,
priesters, notarissen, burgemeesters. Best een interessant gezelschap om
mee om te gaan.
Al heel gauw werd er een systeem van cursussen, lezingen en dat soort dingen
opgezet. Dat was ook de suggestie van professor Goudriaan: zorg dat je je
geest in beweging houdt en geef vooral de docenten, hoogleraren en leraren
de kans zich te blijven ontwikkelen. Daardoor werd er een heel interessant
programma, een soort volksuniversiteit, opgezet, waarvoor je je kon inschrijven.
Ik denk dat het de derde dag was, toen er al een voordracht plaatsvond
van professor Van Holk uit Leiden. Deze remonstrantse theoloog hield een
voortreffelijk verhaal over theologische ethica, zeer indrukwekkend, zeker als
35
je je realiseert dat hij geen boeken had om uit te citeren. Verder was er iedere
dag een dagopening en een avondsluiting , waar predikanten en priesters in
voorgingen, ieder in hun eigen stijl. Aangezien ik nooit catechisatie heb gehad,
was dat mijn eerste godsdienstige vorming. Een van de eerste dingen die we
kregen, was een Bijbel van het Bijbelgenootschap. Ik bezit hem nog altijd.
Corvee
Ik was jong, maar bewoog me daar eigenlijk altijd vrij makkelijk. Doordat
ik met allerlei corvees meedeed, ontmoette ik veel mensen. Ik heb heel wat
interessante gesprekken gehad. Er werd ook gebridged, daar heb ik aan
meegedaan. En je moest corvee doen, bijvoorbeeld de eetzaal schoonvegen.
Merkwaardigerwijs zeiden vakbondsbestuurders: “Daar doe ik niet aan mee.
Kruimels van een ander opruimen, nee!” Mijn respect voor de vakbondsbestuurder
daalde daar dus een beetje.
Er was een soort kantine waar ik hielp. Ook leerde ik het kappersvak, onder
leiding van pater Spiek, die blijkbaar op het seminarium had leren knippen.
Met de handtondeuse natuurlijk. Je betaalde dan aan de kapper een kwartje
of zo, bedoeld voor het noodfonds. Want er waren een aantal families van
gijzelaars die in geweldige problemen waren gekomen doordat hun kostwinner
ineens was weggevallen. Zo had je ook een schoenpoetsdienst, geleid door de
ex-burgemeester van Apeldoorn, de heer Quarles van Ufford. Dus je liet als
jochie door de burgemeester je schoenen poetsen, allemaal voor het goede doel.
De klap van 15 augustus
Toen kwam de klap van 15 augustus ’42. Op 7 augustus was in Rotterdam een
poging gedaan om een Wehrmacht-trein te laten ontsporen. Wat overigens
mislukte, alleen een seinwachter van de NS kwam erbij om. De Duitsers maakten
daar een geweldige drukte over en de opperbevelhebber dreigde vijftig
mensen te fusilleren. Mede op aandringen van Seyss Inquart en de zijnen werd
dit aantal teruggebracht tot vijf: drie uit Haaren en twee uit het andere, eerste
gijzelaarskamp in Sint-Michielsgestel.
Op 15 augustus werden we ’s ochtends vroeg op appel geroepen. Iedereen wist
natuurlijk dat er mensen weggehaald waren, want de nodige spanning was
al opgewekt doordat er foto’s waren gemaakt van potentiële slachtoffers. De
Duitsers waren zo zenuwachtig dat er iets van een opstand zou komen, want er
was een extra peloton bewakers binnengemarcheerd. Ons werd medegedeeld
dat Robert Baelde, samen met de Rotterdammers Christoffel Bennekers en
Willem Ruys, en verder Otto graaf van Limburg Stirum en Alexander baron
Schimmelpenninck van der Oije zojuist waren gefusilleerd, als waarschuwing
dat sabotage niet werd toegelaten. Degenen die een hoofddeksel op hadden,
36
namen hun hoed af en er werd een minuut stilte in acht genomen. Daarna
gingen we naar onze kamers terug en brachten die dag verder min of meer in
stilte door, tot verbazing van de Duitsers.
Ik kende de drie gefusilleerden uit Haaren allemaal. Ruys dus als postmeester.
Mr. Baelde, die ook lid was van de Nederlandsche Unie en die ik bij kadercursussen
een of twee keer als docent had gehad. En politie-inspecteur Bennekers
uit Rotterdam had ik ontmoet, maar meer ook niet. Het was bijzonder aangrijpend.
Er is een jaarlijkse herdenking op de fusilladeplaats in Goirle, die ik
altijd zo veel mogelijk heb geprobeerd bij te wonen. Ik had verschillende malen
de eer de krans te mogen leggen. In 2012 deed ik dat nog in het bijzijn van
verschillende leden van mijn gezin: mijn zoon Leo en zijn vrouw Charlotte en
dochter Martine, en mijn zoon Gijs.
Bonte avond
Na enige tijd hernam het leven zijn gewone gangetje. Er werd weer gesport,
er werden wedstrijden gehouden. Op 16 oktober was er een bonte avond
georganiseerd. Er was onder meer een optreden van de bekende variétéartiest
Lou Bandy, die niet anders dan somber rondliep, maar die avond toch optrad.
Met een strohoed in de hand stond hij glimlachend zijn liedje ‘Zoek de zon op’
te zingen – en zakte daarna weer terug in somberheid. Laat nou net in die
nacht een tweede fusillade plaatsvinden, als represaille voor iets wat in Twente
was gebeurd. Doodgeschoten werden een paar mensen uit ons kamp, een paar
uit het andere kamp – allemaal van linkse signatuur, zoals SDAP’ers en vakbondsbestuurders
– en ook nog een aantal gevangenen uit concentratiekamp
Amersfoort, communisten. Dus de volgende ochtend werden we wederom
verzameld om dit beroerde nieuws te horen verkondigen. Lou Bandy was zó
onder de indruk van dit gebeuren, dat hij een deksel van een koekblik van
Verkade op de een of andere manier in stukjes knipte en wist door te slikken.
Waarop de Rotterdamse chirurg van het Havenziekenhuis, Coster, zei: “Wat er
door de roeper ingaat, komt er door de poeper wel weer uit.” Dat ging ook zo,
maar Bandy werd wel opgenomen in het ziekenhuis van ’s-Hertogenbosch, bracht
daar een of twee weken als psychiatrisch patiënt door en werd toen vrijgelaten.
Hij kreeg precies zijn zin. Dat was wat je noemt ‘een berekend risico’.
Sint-Michielsgestel
Kort daarop, begin november ’42, werden we overgebracht naar het gijzelaarskamp
in Kleinseminarie Beekvliet in Sint-Michielsgestel. Daar kwam ik
weer met achttien mensen op een kamer. We werden overgeplaatst, omdat de
Duitsers de hoeveelheid gijzelaars wilden terugbrengen, omdat het te veel
bewaking vroeg en te weinig opbracht. In Sint-Michielsgestel zat ik in een
ander bont gezelschap, met als meest gevormde man een actuaris, de reken37
meester van een verzekeringmaatschappij. Verder een kleermaker, een student
uit Amsterdam, een aardappelhandelaar uit Zeeuws-Vlaanderen, een politieinspecteur
enzovoort.
Een van de aardige dingen die we daar samen deden, was ’s avonds om beurten
een boek voorlezen. De actuaris las ‘Ik en mijn speelman’ van Aart van der
Leeuw en ik ‘Erik of het klein insectenboek’ van Godfried Bomans. We deden
dat om de avond op een rustige en prettige manier door te brengen en ook het
gevoel van saamhorigheid te vergroten. Ook hadden we een elektrisch kookplaatje.
Daarop bereidden we bijvoorbeeld extra aardappels, die we weleens
via de aardappelhandelaar kregen. En van de heer Koopmans de meelfabrikant
kregen we soms een zak meel om pannenkoeken te bakken. Qua voeding was de
aanvulling voor sommige blokken zelfs zo groot, dat ze het gevangenisvoedsel
niet eens namen. Zo werden we eigenlijk verwend.
Studiegroepje
Ik volgde ook in Sint-Michielsgestel verschillende cursussen. Onder andere van
de professoren Lieftinck en Cobbenhagen, die allebei niet bij ons zaten, maar in
de Ruwenberg als zogenaamde Indische gijzelaars. Indische gijzelaars waren op-
gepakt als een reactie op de gevangenneming van Duitsers in Nederlands-Indië.
Zij waren vanuit ons kamp verhuisd naar de Ruwenberg, een internaat voor
lagereschoolkinderen op loopafstand bij ons vandaan. Ze kwamen weleens om gegevens
uit te wisselen, mochten cursussen geven. Zo werd je op allerlei manieren
ontwikkeld. Zelf nam ik het initiatief tot een studiegroepje over de toekomst van
het universitair onderwijs en het studentenleven. Vertegenwoordigers van alle
universiteiten en hogescholen, hoogleraren en afgestudeerden, kwamen bij elkaar
om erover te filosoferen hoe je in de toekomst de kwaliteit van het universiteit
onderwijs op peil kon houden. Daar heb ik het verslag van geschreven.
Alles bij elkaar heb ik een periode van anderhalf jaar tussen alleen mannen
doorgebracht, waar ik redelijk goed doorheen ben gekomen. Ik heb nooit met
iemand slaande ruzie gehad. Toen de Duitsers het aantal gijzelaars verder
gingen terugbrengen, lieten ze in de tweede helft van december ’43 een stevige
groep vrij, waar ik ook bij mocht horen.
Andere Tijden
Ik heb verschillende voordrachten over mijn gijzelaarstijd gehouden. Een
behoorlijk verhaal duurt zo’n drie kwartier. Ik heb er nooit dingen voor op
papier gezet, deed alles uit mijn herinnering. Bovendien ging in 2002 het
televisieprogramma ‘Andere Tijden’ over de gijzelaarskampen en daarin
werden geïnterviewd Max Kohnstamm, Piet Sanders en ik. Daar heb ik een
aardige dvd van. Die geeft een goede indruk van hoe ieder van ons die tijd
38
heeft ervaren. Het grappige is dat er geen coördinatie was tussen ons drieën,
maar dat er toch geen enkele tegenspraak was! Terwijl je altijd een persoonlijke
herinnering aan iets hebt. Ik heb een kopie van de uitzending naar mijn
dochter in Australië gestuurd. Die heeft ze daar laten zien aan haar Nederlandse
vriendinnen en iedereen zei: “Wat spraken ze in die tijd nog netjes
Nederlands!” 3
Administrateur van de bloedtransfusiedienst
Na mijn vrijlating ging ik naar m’n ouders, terug naar de Surinamestraat.
Mijn vader was toen penningmeester van het Nederlandse Rode Kruis, in de
voetstappen van zijn vader. Ik vroeg hem of daar misschien ook plaats voor mij
was en hij kon me administrateur van de bloedtransfusiedienst laten maken.
Ik kreeg onder andere de opdracht om de kostprijs vast te stellen van een zak
bloed, die ziekenhuizen bij de bloedtransfusiedienst konden bestellen. Terzelfdertijd
ontwikkelde het Rode Kruis een plan om steun te gaan verlenen aan de
gezinnen van Nederlanders die als arbeiders naar Duitsland waren afgevoerd.
Voor dat plan hield ik mij enige tijd bezig met de voorbereidingen, samen
met de heer Van der Dussen, een van de leiders in Sint-Michielsgestel en
oud-burgemeester van Enschede, die later burgemeester van Dordrecht zou
worden. Hij moest na een paar dagen om een of andere reden alweer onderduiken.
Uiteindelijk ging het hele plan niet door en concentreerde ik mij weer
op het werk van de bloedtransfusiedienst.
Stichting Nederlands Volksherstel
Even daarna kwam er een opdracht uit Londen dat er voorbereidingen moesten
worden getroffen voor de oprichting van een organisatie voor algemene
hulpverlening. Deze organisatie werd in november 1944 opgericht en later
Stichting Nederlands Volksherstel genoemd, bedoeld om materiële en geestelijke
noden na de bevrijding zo goed mogelijk op te vangen. Daarvan was
het Rode Kruis secretaris van de voorbereidingscommissie, aangevuld met
vertegenwoordigers van het ministerie van Binnenlandse Zaken, het verzet,
het Interkerkelijk Overleg en mijn persoontje als toegevoegd ambtenaar. De
stichting startte op 5 of 6 mei ’45 officieel in Den Haag. Ik zou er twee jaar
werken als hoofd voorlichting.4
Er viel een hoop voor te bereiden aan de Stichting Nederlands Volksherstel.
Dat deed ik in belangrijke mate samen met de heer Schade van Westrum van
Binnenlandse Zaken. We bespraken de juiste formulering van de stichtingsakte,
van mogelijke plannen, de manier waarop na de bevrijding het bestaan
3. Zie http://www.geschiedenis24.nl/andere-tijden/afleveringen/2001-2002/Sint-Michielsgestel.html
4. Zie http://www.oorlogsgetroffenen.nl/archiefvormer/Nederlands_Volksherstel
39
van de stichting bekendgemaakt zou worden, briefhoofd, al dat soort zaken. We
schakelden een reclamebureau in. Het was de bedoeling om met een landelijke
instelling de versnippering van charitatieve instanties – voor de oorlog waren
er vele duizenden – te voorkomen. De voorbereiding gebeurde natuurlijk allemaal
ondergronds. Je moest daar niet te veel met de buitenwereld over praten
en je goed bewust zijn met wie je contact opnam. Ook dit was weer een heel
interessante tijd, waarin ik veel heb geleerd. De akte van oprichting werd op
9 juli gepasseerd. De Stichting verrichtte veel nuttig werk, ondanks kritiek en
tegenwerking van lokale hulpinstanties die de eer aan zichzelf wilden behouden,
en zou tot mei 1948 bestaan.
Vluchtelingenregistratie
In september 1944 kreeg ik nog een bijzondere opdracht. Mr. J. Heusdens, de
directeur-generaal van Binnenlandse Zaken en vertegenwoordiger van BZ bij
de voorbereidingscommissie van het Nederlands Volksherstel, zei tegen mij:
“Bij de slag om Arnhem zijn veel vluchtelingen ontstaan. Ga jij eens praktijkervaring
opdoen, reis naar Apeldoorn en kijk hoe je ze opvangt.” Eind september
ging ik op weg met een Rode Kruis-auto, aangedreven door methaangas met
een houtoven achterop. In Apeldoorn zat al de directeur Inlichtingendienst van
het Rode Kruis. Die had contact gezocht met de secretaris van Armenzorg en
daar een eerste registratie van vluchtelingen opgezet. Maar we hadden verder
niks, dus konden we niet anders doen dan registreren. Je zag de ellende om je
heen van mensen die gebombardeerd waren of uit hun huis gevlucht en
moesten worden opgevangen.
Na twee dagen moest het De Apeldoornsche Courant ad een bericht opnemen
over de verplichte aanmelding van alle mannen tussen achttien en 35 jaar om
loopgraven te gaan graven. Die hele editie nam de ondergrondse uit de omgeving
in beslag. De volgende ochtend toen ik uit mijn hotelletje naar mijn
kantoortje liep, lagen op alle hoekpunten van een plein gefusilleerde mensen
van de verzetsbeweging.
Mijn directeur Inlichtingendienst had zich officieel moeten melden bij de
Ortskommandant en dat bleek, net als hij, een oud-Indischgast te zijn. Na zijn
melding had hij mij verteld dat hij heerlijk in het Maleis had zitten ‘klappen’
met deze man. Ik zei: “Nu moet jij voor mij, ik ben in de kwetsbare leeftijd, een
mooie Ausweis bij hem gaan halen.” Toen kreeg ik via die welwillende Ortskommandant,
wat een fatsoenlijke vent bleek te zijn, een prachtige Ausweis
met veel stempels erop en de vermelding dat ik ‘bestimmt unmisbar’ was voor
de hele samenleving. Dus ik mocht niet opgepakt worden. Dat gold natuurlijk
alleen voor Apeldoorn, maar ik heb de rest van de oorlog met dat Ausweis
rondgelopen en me er veilig mee gevoeld. Eén keer moest ik het tonen en het
40

oorkonde
Afscheidsoorkonde bij de opheffing van de stichting Nederlands Volksherstel.
bleek in Den Haag ook te werken. Zo’n beetje geluk moet je ook af en toe
hebben.
Begin van hulpverlening
Na een week of twee ging ik terug naar Den Haag en liet de registratie door
de lokale Rode Kruis-mensen van Apeldoorn verder uitwerken. Of ik er nou
erg nuttig werk heb gedaan, weet ik eigenlijk niet eens. Het was een begin van
proberen iets op te zetten wat richting hulpverlening ging. Het was op zichzelf
heel interessant om te mogen doen. De registratie van vluchtelingen deed
ik op primitieve wijze, op eenvoudige bloknootjes, met een carbonpapiertje ertussen,
zodat je een kopietje had. Daarmee lag in elk geval vast waar de mensen
waren, wat ze bij zich hadden en wat ze nodig hadden. Als er dan materialen
ter beschikking kwamen uit de lokale bevolking om ze te helpen, kon je op die
manier een beetje sturen. Veel mensen waren tijdelijk ondergebracht bij familie.
Het werd een beetje een probeersel: wat kun je doen in zo’n geval?
Hongerwinter
In Den Haag sliep ik niet in het ouderlijk huis. Ik had een kamer ertegenover
in de Paramaribostraat gehuurd, zodat ik verder zelfstandig was. We deelden
wel altijd samen de maaltijden, dat spaarde brandstof, warmte enzovoort. We
hadden toen geen gas meer. In de Hongerwinter was het heel erg krap. Maar
mijn ouders hadden voor 1940 al goed ingekocht: blikken met bruine bonen en
andere conserven. Daarvan konden we die laatste oorlogsmaanden nog altijd
een tikkeltje bijvoeding krijgen bij de zeer magere rantsoenen, die steeds kleiner
werden. Ikzelf had het geluk in november ’44 een kistje goudrenetten te
kunnen kopen en kon door iedere dag zo’n appel te eten het hongergevoel wat
stillen. Ik denk altijd dat die appels mij gered hebben van grotere problemen.
Het was een ijskoude winter en kolen of houtbrandstof was ternauwernood
voorhanden. Ik hakte eens stiekem, op gevaar van deportatie, een boompje
om in het Scheveningse Bos, maar kon er niet veel van mee naar huis nemen,
want om mij heen stonden veel gehaaide, wanhopige vrouwen, die wisten een
groot deel van de buit te pakken te krijgen. Het ging erom dat je een stammetje
had dat je in kleine houtjes kon hakken voor de noodkachel, de majo.
Dit was een schoonsteenpijp met een binnenpijpje en een roostertje erin. Dat
zette je dan op de deksel van een potkachel, waardoor het ventileerde via de
schoorsteen naar beneden in plaats van direct naar boven. Bovenop zette je
dan een pan. Zo kon je met kleine houtjes het vuurtje gaande houden.
We hadden nog wat antraciet en antracietgruis, daar hield je het vuur ook nog
een beetje mee gaande. Zo had je één plekje waar je kon koken en het nog een
beetje warm had in die winter. We kookten onder meer suikerbieten. Daarvan
maakten we heerlijke stroop en de rest verwerkten we tot een soort nasi. Ook
42
tulpenbollen dienden als voedsel, ze waren zelfs smakelijk. Het uithongeringsbeleid
van de Duitsers in het westen was afgrijselijk. Meer dan 9000 mensen
kwamen om van de honger en de kou.
Muziekavonden
In de Surinamestraat hadden we een brandgang achterlangs die ook aansloot
op de woningen op het Nassauplein. Een paar huizen verderop woonde dokter
Kamberg en ik weet niet wat voor specialisme die had, maar hij had om een of
andere reden nog elektriciteit, terwijl die bij de andere mensen om acht uur
’s avonds uitging. Deze dokter organiseerde voor de buurtgenoten, die via dat
brandgangetje konden komen tijdens Sperstunde, lezingen en muziekavonden.
Ik hielp mee aan de voorbereidingen, zoals het klaarzetten van de stoelen met
mevrouw Kamberg en van het water met een smaakje dat voor thee moest
doorgaan. In die tijd had ik enig contact met mijn bijna-buurmeisje en latere
echtgenote Jopie Bogaardt. Sinds begin jaren ’30 woonde zij twee huizen verder,
maar met haar had ik weinig contact gehad, omdat ik zelden in Den Haag was,
maar ook omdat de familie katholiek was en zij padvindster. Ik had namelijk
een zekere afkeer van de padvinderij, die overigens inmiddels allang voorbij is.
Het was dus aanvankelijk geen interessant buurmeisje. Maar die avonden
waren heel aardig. Zij kwam daar ook naartoe en het leuke was dat je daarvoor
niet over de straat hoefde, maar via de brandgang achterom. In de Hongerwinter
was dat een fijne ontspanning voor veel mensen.
De spanningen waren groot, mede omdat vanuit de Scheveningse Bosjes de
Duitse V1- en V2-raketten werden afgeschoten. Vooral de lancering van de V2
ging nogal eens mis en je wist uiteindelijk niet waar die zou neerkomen, ergens
in de omgeving van de lanceerplaats. Daar kwam nog bij dat de geallieerde
luchtmacht begin maart ’45 een bombardement op die lanceerplaatsen wilde
uitoefenen, maar door een fout in de berekeningen lieten de Engelsen de serie
bommen op het woonkwartier Bezuidenhout vallen. Die bommen waren helaas
effectief en de gevolgen heel akelig.
Ik hield mij in het laatste oorlogsjaar ook nog bezig met de poging om een
nieuwe Nederlandse tijdschriftenorganisatie op te richten. Dat deed ik met de
advertentiemanager van Spaarnestad, die ik via de Bond van Adverteerders
had leren kennen. Ik had dus twee ijzers in het vuur om na de oorlog aan het
werk te kunnen, maar koos uiteindelijk voor het Nederlands Volksherstel.
43

bevrijdingJopieBevrijdingJopie2
Bevrijdingsfeest in Den Haag, 6 mei 1945, uiterst rechts Jopie.
44
45
4. Bevrijding, Volksherstel en huwelijk
Op 5 mei 1945 kon eindelijk de vlag weer uit. Al vroeg kwam via de radio het
bericht dat we bevrijd waren. Dan ontstaat er een soort euforie van ‘eindelijk,
eindelijk’. Je zag overal vlaggen verschijnen met de oranje wimpel eraan. Als
hoofd voorlichting had ik het voorrecht en de eer om de vlag te mogen hijsen
bij de start van de Stichting Nederlands Volksherstel, voor het kantoor in de
Gotische zaal, behorend bij Paleis Kneuterdijk in Den Haag.
Het allerergste leed van de Hongerwinter was al wat verminderd door twee
bijzondere gebeurtenissen die de moeite waard zijn om je te herinneren. In de
eerste plaats het zogenaamde ‘Zweedse wittebrood’, dat in de laatste weken van
de Hongerwinter in het westen van Nederland, waar de grootste honger werd
geleden, werd gebakken met ingrediënten die Zweden in januari 1945 begon
te leveren, zoals meel en margarine. Zelden smaakte brood zo delicaat als toen.
Eind april kwamen de voedseldroppings door de Engelsen en kort daarna door
de Amerikanen. Het waren voornamelijk een soort kaakjes in blik. Wat een
vreugde om die geallieerde bommenwerpers zo laag te zien overvliegen om
hun voedselgaven onder meer op het Malieveld te droppen.
Overgangsperiode
Totdat er weer een Nederlandse overheid gevormd kon worden, stelden de
geallieerden een militair gezag in. Tijdens deze overgangsperiode werden
onder andere Canadese troepen gelegerd, die de afvoer van de Duitse krijgsgevangenen
moesten regelen en moesten helpen bij het voorlopige herstel van
de infrastructuur. Het binnentrekken van de Canadezen en een deel van de
Nederlandse Prinses Irene Brigade was indrukwekkend. Wat leken die militairen
dik in vergelijking met ons, ondervoede Nederlanders. Een van de tankcommandanten
van de brigade was Winny Arends de Wolf, een klasgenoot van Nout.
Een warm gevoel gaf dat, om naar een oude vriend in die tank te kunnen
zwaaien.
Bij die Canadezen hoorde ook onze neef Fred Harding, getrouwd met de
tweede dochter van oom Frits, de tweelingbroer van mijn vader. Het was een
prachtige verrassing toen die ons kwam bezoeken. Hij bleef nog tot in oktober.
Heel bijzonder in die eerste bevrijde dagen was ook het bezoekje van Rob
Hartog, een goede vriend uit mijn lyceumtijd. De joodse familie was op tijd
naar Engeland vertrokken. Rob droeg waarschijnlijk het bekende uniform
van de Irene Brigade. Hij bracht een slof Maple Leaf-sigaretten voor mij mee.
Erg aardig, na ons eindexamen in 1937 hadden wij elkaar niet meer gezien.
46
Eerste zoentje
Op de avond van de tweede vrije dag ontmoette ik mijn buurmeisje Jopie
Bogaardt weer en we besloten om te kijken wat er in de stad te beleven viel op
deze bijzondere avond. Al gauw bleek dat er iets klikte tussen ons. Een aantal
kroegen in de stad die ik met Jopie bezocht, schonken alleen imitatiekoffie, een
enkele kon ook nog een drankje verschaffen, iets van likeur of jenever. Het was
een redelijk opgewekt avondje uit. Toen we terugkwamen was er voor het huis
van de familie Kamberg, van de muziekavonden, een verhuiswagen gearriveerd,
voor paardentractie. Die stond klaar voor de volgende dag, als de familie weer
naar haar oorspronkelijke huis aan de Koninginnegracht ging. Jopie en ik hebben
toen samen nog wat op de bok zitten napraten, waarbij zelfs al het eerste
zoentje viel.
De volgende dag was er een straatfeest voor de kinderen georganiseerd. Jopie
speelde daar een grote rol bij en ik een heel kleine, want ik was bezig het
Nederlands Volksherstel in te richten. Maar het feest gaf opnieuw contact. Dit
leidde ertoe dat wij toch wel gingen aanvoelen dat een verloving niet al te ver
meer weg zou zijn. Zo leerde ik ook de familie Bogaardt beter kennen en kon
me er met een gerust hart gaan thuis voelen. We bridgeten een paar keer. Kort
daarna werd er een dansavond georganiseerd in Instituut Galliard, een van de
bekende dansscholen van Den Haag. De broers en zusters van Jopie maakten
zich er sterk voor om mij ook daarheen te trekken. Die vonden het wel leuk dat
hun zuster een partner leek te krijgen.
Improviseren
De inrichting van het Volksherstel was improviseren. De Bestuursraad
telde veertig leden, onder wie vertegenwoordigers van het Rode Kruis, het
Interkerkelijk Overleg en diverse verzetsorganisaties. Het dagelijks bestuur
van de stichting werd verricht door de Raad van Beheer van zeven man. Er
werd een secretaris-generaal benoemd, mevrouw mr. Martina Tjeenk-Willink,
een studievriendin van prinses Juliana. De prinses zelf werd benoemd tot
voorzitter van de Bestuursraad. De ondervoorzitter, die in de praktijk de
leiding had, was de heer Joris In ‘t Veld, oud-burgemeester van Zaandam. De
inrichting verliep vrij vlot, maar ik weet niet meer precies hoe we aan alle
medewerkers kwamen. Er kwam bijvoorbeeld een man binnen voor geestelijke
voorlichting. Er was iemand die de transportmiddelen verzorgde, want
wij moesten op reis naar de verschillende op te richten lokale afdelingen van
de stichting in het land. Het bleek niet al te moeilijk om een paar auto’s ter
beschikking te krijgen. Publicaties moesten definitief gemaakt worden. Onze
publiciteitsadviseur Keunig had een advertentiebureau, een kantoor vlakbij
de gotische zaal, en ontwierp ons briefpapier, met het logo van een leeuw op
een gebroken muur.
47
Ja, wat deed ik die eerste dagen allemaal? Je deed wat er gedaan
moest worden om de stichting te laten draaien. Personeel moest
worden ingedeeld. Ik kreeg een secretaresse – niet voor mij alleen.
Ik werd ook belast met de notulering van de vergaderingen van het
stichtingsbestuur. Daar zat ik dus altijd bij en was volledig au fait.
Alles wat ik in de oorlog had voorbereid, zag ik nu in de praktijk tot
leven komen. Dat ik hoofd voorlichting kon worden kwam omdat ik
na mijn kandidaats, door mijn werk bij de Bond van Adverteerders,
veel had geleerd. Ik bezat een beetje bedrijfskundig inzicht en had
dus een aardige algemene ontwikkeling. En het was natuurlijk
allemaal amateurisme nog, een nieuw soort organisatie.
48
Geld inzamelen
De kunst was onder meer om nieuw geld in te zamelen. Daar heb ik mij ook
mee beziggehouden. We kregen speciale postzegels van de PTT, met een opslag
ten behoeve van het noodfonds dat de stichting had ingericht om materiële
hulp te kunnen verlenen in de echte noodgebieden, vooral de Betuwestreek.
Die had erg geleden van de strijd om Arnhem en de pogingen van de geallieerden
om vanuit het zuiden de Rijn over te steken en de weerstand die ze daarbij
van de Duitsers ondervonden. In die streek was heel veel kapotgegaan. We
probeerden langs allerlei wegen geld in te zamelen, bijvoorbeeld met collectes.
En we hadden eens in de week vijf minuten een praatje op de radio, dat ik ook
een enkele maal heb verzorgd. Daarmee vestigden we de aandacht op de noden
en hoe belangrijk het was dat de mensen die het zich konden permitteren, geld
bijdroegen.
Huishoudelijk textiel
Een heel bijzondere gebeurtenis wat mij betreft was dat we op een goede dag
een telefoontje kregen uit Curaçao, tóen al automatisch. Ik kreeg een brok in
mijn keel van de mededeling dat er in ‘de West’ een fiks bedrag was ingezameld
ter vrije besteding door onze stichting. Wij besloten het te gebruiken om
lakens en ander huishoudelijk textiel te laten produceren. Maar waar begin je
dan, was de vraag. Op de een of andere manier kwam ik in contact met een
Zwitserse club die ruwe katoen kon leveren en zich wel voor het goede doel
wilde inzetten, als we die katoen maar door de Zwitsers lieten spinnen. Het
was een wat wonderlijke club. Ik reisde ervoor naar Londen en Bazel, moest
net doen of ik verstand van katoen had. Maar ja, ik had warenkennis in mijn
studiepakket gehad, van professor Verkade, zodat ik wist dat je op de lengte
van de vezel moest letten! Die onderhandelingen verliepen goed.
Vervolgens kwam het eropaan de Nederlandse linnenindustrie in Twente offerte
te laten maken. Daarvoor onderhandelde ik heel wat met de heer Vixeboxe, voorzitter
van de Twentse weverijen. Hij had ernstige bezwaren tegen het Textielbureau
van de overheid, dat zich teveel met zijn zaken bemoeide. Toen ik over de
prijsstelling wilde onderhandelen, wilde hij echter wel een beroep doen op dat
verfoeide Textielbureau. Uiteindelijk konden we een hele mooie partij kwalitatief
beddengoed en huishoudelijk textiel in omloop brengen in de noodgebieden,
waar de mensen niet veel meer hadden dan de kleren die ze droegen. Rotterdam
hoorde daar ook deels bij. Net als Den Haag, waar begin maart ’45 per ongeluk
het Bezuidenhout was gebombardeerd.
Hulpactie Rode Kruis
Na een paar weken kreeg ik officieel bezoek van ene heer J. Vellenga, ook een
oud-gijzelaar. Hij vertelde mij dat hij de zaak kwam overnemen namens de
49
Hulpactie Rode Kruis, de HARK, waarvan hij adjunct-directeur was. Ik zei:
“Beste Vellenga” – we tutoyeerden elkaar als ex-gijzelaars – “je vergist je.
Je bent dan wel eerder bevrijd, maar ook wij hebben contact met de regering
gehad en zijn officieel ingesteld vanuit Londen. Dus ik denk dat je je plan voor
overname moet intrekken.” En dat deed hij ook. De HARK moest allerlei opkomende
hulpactietjes bij elkaar harken. Op zichzelf heel goed, maar Vellenga
had de Stichting Nederlands Volksherstel gewoon onderschat. Naderhand
heb ik nog met hem samengewerkt. Hij had toen een organisatie opgezet voor
advies en hulp bij financiële acties van goede doelen.
Naast alle drukte van het Nederlands Volksherstel had ik het ook druk met de
opbouw van mijn liefdesverhouding. Jopie en ik verloofden ons in de tweede
helft van juni, nadat ik formeel om de hand had gevraagd bij de vader van mijn
bruid. Daarna lichtte ik pas mijn eigen ouders in dat ik deze stap had gezet,
wat eigenlijk niet aardig van mij was. Maar ze waren niet verbaasd dat het al
zo vlot zover was gekomen.
Katholiek en hervormd
Er was nog wel een probleem: de familie Bogaardt was katholiek. Dat moest
nog wel even doorgepraat worden, want wij waren in wezen niets, dat wil zeggen,
mijn ouders waren Nederlands-hervormd, maar niet kerkelijk. Zij hadden
het goed gevonden dat hun kinderen naar catechisatie gingen, maar tegen mij
had mijn vader vroeger gezegd: “Jij gaat toch naar de Militaire Academie, dan
krijg je daar wel catechisatie.” Maar dat was dus niet doorgegaan.
De vraag was onder meer: als we gaan trouwen, doen we dat dan in de kerk of
niet? Van mij hoefde dat niet, maar als Jopie het wilde, zouden we het doen. Zij
wist het eigenlijk ook niet. Ze was niet meer zo trouw aan de katholieke kerk,
nogal kritisch. Ik zei: “Weet je wat? Een van mijn mede-oud-gijzelaars, pater
Gal, heeft hier in Den Haag het kantoor Una Sancta, dat voorlichting geeft
over het katholicisme. Later we daar eens gaan praten.” Afspraak gemaakt,
verteld hoe de verhoudingen lagen. Hij hield een betoog, dat gevolgd werd
door een discussie. Daarin kwamen de meest kritische vragen niet van mijn
kant, maar van mijn aanstaande echtgenote! De pater gaf ons na afloop twee
boekjes mee om te bestuderen. De volgende bijeenkomst kwam. Inmiddels was
er een reünie van oud-gijzelaars geweest, waar ik niet naartoe was gegaan,
maar daardoor richtte het gesprek zich wel meer op de gijzelaarstijd dan op
kerkelijke zaken. De heer Gal gaf ons een uitnodiging mee voor een mis met
toelichting. Daar gingen we braaf heen en na afloop vroeg mijn fiancee: “Wat
vond je ervan?” Ik zei: “Poppenkast.” Ze was het met mij eens en daarmee viel
het besluit om niet in de kerk te trouwen.
50
Grote trouwlust
In die periode heerste binnen de familie Bogaardt een grote trouwlust. Half
augustus ’45 trouwde Jopie’s jongere broer Antonie – Ton, roepnaam Bon – en
in september haar zusje Rietje – roepnaam Piet. Hij trouwde met een meisje uit
Wageningen, Miek de Groot, en zij met Tom Sänger, een jaargenoot van Bon.
Wij trouwden drie weken later, op 6 oktober. De eerste twee waren door de
oorlog uitgestelde huwelijken, zeker dat van mijn zwager Bon, die al een hele
tijd verloofd was. De plechtigheid verschilde niet zoveel met die van tegenwoordig.
Je ging naar het stadhuis, waar een standaardspeech werd afgestoken,
handtekeningen werden gezet. Ik herinner me dat mijn moeder, die vrij stijf in
haar optreden was en last had van MS, opstond om haar nieuwe schoondochter
een zoen te geven. Dat was een geweldig goed teken voor de verhoudingen.
Een groot feest was er niet. Wel een receptie ten huize van de bruid, die druk
bezocht werd, en daarna een etentje. Een paar dagen daarvoor hadden mijn
ouders al een lunch gegeven in restaurant De la Paix, tegenover het Vredespaleis.
De menu’s waren nog heel bescheiden, de voedselvoorziening was nog
lang niet royaal. Ten slotte vertrokken Jopie en ik in een autootje – een DKW,
een tweetakter van Volksherstel, met chauffeur – naar Laag-Soeren, waar wij
in een boerderij onze wittebroodsweek doorbrachten.
Huwelijksleven
Toen begon het echte huwelijksleven. Wij betrokken de etagewoning waar mijn
broer Nout had gewoond. Die was al na drie jaar gescheiden van Onkie Redeker
en direct na ons huwelijk naar Amerika gegaan, eerst in overheidsdienst, later bij
de KLM. Daardoor konden wij het klaarstaande appartement betrekken, aan de
Prins Hendrikstraat 19, op de tweede verdieping plus zolder. Het was toen niet
makkelijk om woonruimte te vinden. Het Bezuidenhout was gebombardeerd,
waardoor veel huisvesting was verdwenen. De rest van Den Haag was redelijk
in stand gebleven, maar door de vele uitgestelde huwelijken was er druk op de
huizenmarkt.
Jopie had geen baan. Ze bezat haar onderwijsakte met montessori en had voor
de klas gestaan voor gehandicapte kinderen in Voorburg tot, ik denk, eind ’44.
Toen kwam ze thuis, onder meer om haar moeder te helpen bij de opvang van
nakomertje Joost, in ’36 geboren. Mijn schoonmoeder had bij die bevalling
kantje boord gelegen en het mede door de extra zorg van haar dochter overleefd.
Het betekende wel dat Jopie voor baby Joost moest zorgen, omdat haar
moeder dat niet zelf kon. Daardoor bleef er altijd een bijzondere band tussen
haar en Joost, met ruim zestien jaar leeftijdsverschil.
51
52

huwelijkhuwelijk2
                                 Trouwfoto Leo en Jopie de Waal, 1945.
53
Uitgebreide familie
De familie Boogaardt was een uitgebreide familie met acht kinderen. De oudste
zoon heb ik nooit echt gekend, al waren we bijna buren. Hij ging in ’36 als
officier administratie naar Indië. Hij was al verloofd, maar in die tijd mocht
je je levenspartner niet direct meenemen naar Indië, je moest wachten tot je
gesetteld was. Zo was mijn schoonzusje met de handschoen getrouwd met mijn
schoonbroer Kees, die de handschoen droeg. De echte bruidegom zat dus veilig
in het buitenland en een andere bruidegom was plaatsvervanger om de belofte
te doen. Ik had destijds alleen gezien dat het meisje in bruidsjurk in de straat
verscheen. Later vertrok ze per boot ook naar Indië.
Van de acht Bogaardt-kinderen lagen de eerste zes – twee jongens, dan twee
meisjes en dan weer twee jongens – in leeftijd heel dicht op elkaar, met telkens
maar een jaar verschil. Het oudste zestal was dus heel hecht. Daarna kwam er
pas na acht jaar een zoon en na zestien jaar weer een, twee duidelijke nakomers.
Iedereen las elkaars boeken. ‘Joop ter Heul’ was een van de boeken die ook de
jongens lazen en de meisjes lazen ook de jongensboeken. Daardoor citeerden
ze voortdurend onderling uit dat soort boeken, daar moest ik als nieuwkomer
wel even aan wennen.
Scheepvaartbedrijf Van Ommeren
Na twee jaar te hebben gewerkt bij de Stichting Nederlands Volksherstel stapte
ik over naar N.V. Phs. Van Ommeren’s Scheepvaartbedrijf. Dat gebeurde op
introductie van de heer Nieuwenhuizen, directeur van de Vereenigde Nederlandsche
Scheepvaartmaatschappij. Dit was een samenwerking van de grote
rederijen, voor lijndiensten die werden onderhouden op onder andere de westen
oostkust van Afrika en Zuid-Afrika. Van Ommeren was de hoofdagent van
de meeste VNS-lijnen. Nieuwenhuis was de vader van een heel knappe tekenaar,
die aan de hand van een manager een mooie kalender voor Volksherstel zou
maken, om te verkopen ten bate van het noodfonds. Die manager had echter
wel mooie praatjes, maar was niet effectief. Daardoor werd het een beetje een
mislukking. Toen zei vader Nieuwenhuizen tegen mij: “Ik voel me wat beschaamd
voor de fout van die manager. Bovendien denk ik dat u langzamerhand eraan
toe bent om iets anders te gaan doen. Zal ik u introduceren bij een scheepvaartmaatschappij?”
Dat leek mij wel interessant. Hij introduceerde mij toen
bij Phs. van Ommeren N.V., waar de secretaris, mr. R. Michielsen, een medewerker
zocht. We werden het eens en half april ’47 trad ik er in dienst.
Van Ommeren was een uitgebreide organisatie. Het bedrijf had kantoren
wereldwijd, zoals in Londen, New York, Hamburg, Bremen, Düsseldorf, Basel,
Antwerpen, Parijs. Een hele serie, die verschillende soorten scheepvaartactiviteiten
verzorgden. Philippus van Ommeren was ooit als cargadoor begonnen,
54
maar kreeg er een rederij bij. Hij hield zich voornamelijk bezig met tankvaart,
had zeetankschepen op de wilde vaart, rijntankschepen en was bovendien
manager van een andere binnenvaartmaatschappij die voor Shell het vervoer
over de Rijn deed. Bij elkaar was het een heel grote vloot van binnenvaarttankers.
Er hoorde ook een directiemotorbootje bij, dat vanaf het kantoor naar
verschillende havens voer. In die tijd waren de verste havens de Waalhaven en
Vlaardingen. Maashaven en Rijnhaven waren veelgebruikte havens. Europoort
en Botlek bestonden nog niet. Amsterdam noemden we toen een stad met een
haven en Rotterdam een haven met een stad. Tegenwoordig is Rotterdam ook
een stad met een haven.
Leren in Londen
Ondertussen was op 2 augustus ’46 onze eerste zoon Hans geboren, in het
Haagse Bronovo-ziekenhuis. Daardoor werd het wel wat voller in ons kleine
appartementje. Vijftien maanden later werd op 21 oktober ’47 zoon Leo
geboren en, ook nog in dat appartement, op 24 januari ’49 dochter Mariëtte.
Gelukkig kwam er toen een huis in Rotterdam in het vooruitzicht, dankzij
Van Ommeren. In ’51 zouden nog Gijs en in ’57 Jeroen volgen.
Kort na de geboorte van Leo ging ik zes weken, tot even voor Kerstmis, naar
een dochterbedrijf in Londen om het scheepvaartvak te leren. Je komt als
een vreemde snoeshaan zo’n bedrijf binnen, dan moet je je eerst oriënteren:
wat doet zo’n bedrijf, hoe werkt het, hoe ga ik daarmee om? Mijn baas, mr.
Michielsen, was zo slim om te zeggen: “Ga in Londen snuffelen aan het scheepvaartvak,
zodat je weet wat er omgaat. Dan hoef je hier niet naast een chef
expeditie of lijnagent te zitten.” Het was makkelijker om dat in Londen te doen
dan bij het kantoor in Rotterdam, omdat ik hier een staffunctie zou krijgen.
In Londen liep ik mee met de bezoekers van de scheepvaartbeurs, de shipping
exchange, liep de cargadoorsafdelingen door. Cargadoors zijn de agenten
van een rederij. Ze zorgen er onder meer voor dat, als een schip binnenkomt,
alle formaliteiten geregeld worden en alle faciliteiten ter beschikking komen.
Meestal zijn zij ook lijnagenten, die vrachten verzamelen voor de schepen.
Deviezen
In Londen maakte ik ook een reünistenbijeenkomst van mijn corps mee.
Diverse leden van het Rotterdamsch Studentencorps werkten in Engeland
en op 11 december was er een dies. Bovendien zocht ik mijn zuster Pau en
haar baby op. Ze was na de oorlog naar Engeland vertrokken, dus ik had
weinig contact met haar gehad. Ik zag dat ze onder weinig prettige omstandigheden
leefde. Ze hield zich kranig, dus ik stond haar wat van mijn
deviezen af, namens mijn vader. Maar veel deviezen kreeg ik ook niet mee in
die tijd. Terug uit Londen begon ik bij het secretariaat van Van Ommeren.
55
5. Van Ommerens Scheepvaartbedrijf:
werken én wonen
Rond Kerstmis ’47 kwam ik terug uit Londen, daarna begon het eigenlijke werk
bij N.V. Phs. Van Ommerens Scheepvaartbedrijf.1 Ik begon mijn staffunctie als
assistent bij secretaris Rob Michielsen met wie ik heel goed overweg kon en,
hoewel hij tien jaar ouder was, een mooie vriendschap mee mocht opbouwen.
Ik was een soort manusje van alles, maar langzaamaan werd het werk meer
gericht. Het secretariaat was geen direct commerciële afdeling, maar een
overkoepelende afdeling, waar allerlei zaken bij elkaar kwamen. Mijn taken
waren onder meer de relaties naar buiten onderhouden, de pensioenen intern
voorbereiden,
aandeelhoudersvergaderingen vastleggen. Ik maakte de conceptnotulen
van de vergaderingen van de raad van commissarissen. Ook was ik
belast met het toezicht op het archief. Daarbij bekleedde ik van begin af aan
een soort pr-functie. Later zou ik hoofd arbeidszaken worden.
Begin ’48 kwamen de internationale verhoudingen weer wat meer op peil.
Zo werd er een internationale bijeenkomst van directieleden van alle Van
Ommeren-kantoren georganiseerd. Ik kreeg een aanzienlijk deel van de voorbereidingen
als taak. Onderdak zoeken, menu’s uitzoeken, tijdschema’s maken,
zorgen dat de betrokken directieleden de juiste informatie kregen. Ik denk dat
er wel veertig à vijftig mensen kwamen. Doel van die bijeenkomst was overleggen
over het beleid, maar ook informatie uitwisselen, zodat we internationaal
op één lijn bleven zitten.
Praktische kantooropleiding
Naast mijn staffunctie kreeg ik al gauw een extra opdracht van een van de leden
van de raad van bestuur, Ed Nijgh. De opdracht was om, in samenwerking
met de Kamer van Koophandel, een praktische kantooropleiding in te richten.
Dat was in de oorlog allemaal zo’n beetje voorbereid, met het nodige idealisme
erbij, maar nog niet erg van de grond gekomen. Nijgh vroeg of ik dat wilde
oppakken en verder uitwerken. Ik ging eerst praten bij een van de secretarissen
van de Kamer van Koophandel om te kijken wat er was. Daarna stelden
we inderdaad de praktische kantooropleiding in. De commissie praktische
kantooropleiding, waarvan ik voorzitter was, werd bijgestaan en ambtelijk
gesteund door het secretariaat van de kamer. Hierdoor verdiepte zich ook de
belangstelling voor goed onderwijs bij het bureau van de kamer. De opleiding
was een soort leerlingenstelsel. De deelnemers moesten mulo hebben en de
1 Zie http://www.top010.nl/html/van_ommeren.htm.
56
handelsavondschool volgen, en zouden dan bij bedrijven een betaalde functie
als stagiair krijgen, mits die bedrijven zich tenminste bereid verklaarden om de
stagiairs telkens een halfjaar lang bij verschillende afdelingen te werk te stellen.
De opleiding duurde twee jaar en eindigde met een diploma. Uiteindelijk
volgde een kleine groep leerlingen de opleiding en ze waren allemaal succesvol.
Het was dus een goed systeem.
Als voorzitter merkte ik in mijn contacten dat de leerlingen best aardige,
intelligente jongelui waren, maar zich niet goed wisten te bewegen. Als je wilt
opklimmen, moet je je makkelijk kunnen bewegen in de wereld. Daarom organiseerden
we een paar debatingavonden. Heel amateuristisch, maar erg nuttig.
De deelnemers moesten een inleiding over een onderwerp houden, dus zich
in dat onderwerp verdiepen, maar het ook kunnen verdedigen. En de toebehorende
leerlingen moesten met de juiste vraagstelling zichzelf oefenen in een
gesprek. Daardoor kon je ze helpen een betere manier van optreden te krijgen.
Verschillende leerlingen zeiden me naderhand: “Ik ben zo blij dat ik eraan heb
kunnen meedoen.” Het werkte kennelijk heel goed, al kreeg de opleiding nooit
een grote omvang.
Commissie van toezicht op het middelbaar onderwijs
Onderhand bleek de Wet van het toezicht op het middelbaar onderwijs nog
steeds van kracht. Dit betekende dat er lokaal, via de Kamer van Koophandel,
een commissie van toezicht moest komen die met de middelbare scholen, met
name de hbs’en, contact had. Wij formeerden in 1952 de Commissie van toezicht
op het middelbaar onderwijs en ik mocht weer voorzitter worden (zie de
nevenfunctie op pagina 102). We zochten een aantal mensen die bereid waren
om op een middag een school te bezoeken, al dan niet een paar lessen bij te
wonen, en met de directeur of rector te praten over het niveau. Daarvan
werden rapporten gemaakt, die naar het ministerie van Onderwijs gingen.
Dat bracht mij als voorzitter in contact met een heleboel mensen uit het
Rotterdamse bedrijfsleven. Zo kwam ik daar langzamerhand in the picture,
via dat eerste contact met de Kamer van Koophandel in opdracht van de heer
Nijgh. Zo zie je dat je als assistent van het secretariaat allerlei kanten op kunt.
Ed Nijgh overleed in ‘49 in het vliegtuig, op de terugweg uit Japan. Ik had een
kort, maar goed contact met hem gehad. Hij kwam terug nadat hij een agentschap
van de Japanse NYK-lijnen weer hersteld had. Merkwaardigerwijze
kwam er een telefoontje van de Parijse directie dat de heer Nijgh was overleden.
Ik moest dat telefoontje opvangen, omdat mijn chef, mr. Rob Michielsen, afwezig
was. Eerlijk gezegd schrok ik ervan dat ik daar opeens in het Frans zo’n
moeilijke opdracht kreeg. Opvolger van Ed Nijgh in de raad van beheer werd
mr. Kroese, tot dan directeur van de cargadoorsafdeling, met wie ik ook een
57
heel positief contact zou hebben. Als er rare problemen waren in de interne
verhoudingen, kon ik bij hem terecht. Het was fijn om iemand te hebben tegen
wie je soms aan kunt praten. Overigens had ik ook een uitstekend contact met
mr. Michielsen.
Ed Nijgh Huis
In 1950 kocht Van Ommeren een terrein bij Beekbergen aan, dat vroeger
was gebruikt als pied-à-terre voor een hippische vereniging. Nu werd het als
vakantieoord ingericht voor het personeel, onder de naam het ‘Ed Nijgh Huis’,
naar degene die het initiatief voor de aankoop had genomen. Ik werd benoemd
tot voorzitter van het bestuur van de stichting die dit geheel moest beheren en
was dus van begin af aan bij de ontwikkeling ervan betrokken. Ik werkte hierbij
samen met een medewerker van het archief, dat ook onder het secretariaat viel.
Het complex bestond uit een hoofdgebouw met twee slaapvleugels en een
aantal bungalows op het terrein. Als je een gezin had, kon je in een bungalow
logeren, als je geen gezin had, kon je een ‘hotelkamer’ in het hoofdgebouw
betrekken. Alles redelijk eenvoudig, maar keurig ingericht, met een goede
keuken, grote eetzaal en ik geloof ook een recreatiezaal. De opzet van zo’n
hotelachtige organisatie vergt veel aandacht. De kunst is om een goede directeur
te vinden, de inrichting en kwaliteit van de keuken op peil te krijgen,
zoals al het gereedschap en vaatwasmachines, dus dat bracht vele interessante
onderzoeken en informatiebijeenkomsten met zich mee. Het was een mooi
terrein, dat in beheer werd gegeven aan Staatsbosbeheer. Ik heb er één keer
met het gezin gelogeerd, maar ik was er persoonlijk niet zo op gesteld om
mijn privéleven te mengen met het zakelijke. Maar het was natuurlijk wel
nodig om het minstens één keer te doen. Veel andere medewerkers maakten
er wel dankbaar gebruik van. Toen ik in 1965 bij Van Ommeren vertrok,
bestond het Nijgh Huis nog, maar jaren later werd het opgeheven.
Personeelsafdeling opzetten
Omstreeks ’49 kreeg ik de opdracht om een personeelsafdeling op te zetten.
Een interessante opdracht om van niets iets zien te maken, want er was geen
officiële afdeling. Hoe begin je zo’n opdracht? In totaal werkten er tussen de
drie- en vierhonderd mensen op het kantoor van Van Ommeren in Rotterdam.
Daarnaast had je nog de binnenvaartvloot, de tankvloot op zee en
het tankopslagbedrijf. Er waren zes directeuren: van het cargadoorsbedrijf,
het binnenvaartbedrijf, de rederij, de tankopslag, een financieel directeur
plus een technisch directeur.
Het personeelsbeheer was toevertrouwd aan financieel directeur Kuitert.
De heer Kuitert vond het helemaal niet leuk dat hij zijn alleenheersersfunctie
58
kwijt dreigde te raken. Het kostte me nog heel wat moeite om in te gaan tegen
de traditionele verhouding en hem te doen aanvaarden dat ik voortaan de
salarisbeoordeling en dergelijke ging verzorgen. Ik heb twee dingen gedaan.
In de eerste plaats nam ik contact op met de omliggende scheepvaartbedrijven.
Samen zetten we een kring van personeelschefs op, die elkaar eens in de
twee of drie maanden zag, met op de achtergrond de afspraak dat we niet aan
elkaars personeel zouden trekken en geen extreme salarissen zouden laten
ontstaan. Ook kreeg ik de gelegenheid een cursus personeelsbeleid te volgen,
georganiseerd door het Centraal Sociaal Werkgevers Verbond, CSWV, naderhand
opgegaan in het VNO, Verbond Nederlandse Ondernemingen. Het was
een heel interessante cursus, die een week of zes duurde, telkens een week
intern in Huis Ter Werve van de Koninklijke Shell. Er waren veel deskundige
inleiders en veel onderlinge discussie. Dat hielp mij om de uitwerking van het
personeelsbeleid op niveau te brengen.
Verder zette ik een salarissysteem op met verschillende simpele functieanalyses,
met de daarbij behorende loonschalen. Dat was nieuw in die tijd, maar het
werkte wel, want daardoor werden de jaarlijkse salarisvergaderingen een stuk
eenvoudiger. De verschillende directeuren waren gehouden om hun personeel
binnen die schalen te beoordelen en voorstellen te doen voor eventuele salarisverhogingen.
Vielen die binnen de schaal, dan werd er niet over gediscussieerd,
maar waren er afwijkingen naar boven of beneden, dan werden die uitvoerig
besproken. Het waren vaak aardige, vrij informele vergaderingen, ’s avonds
voorafgegaan door gezamenlijk wat te eten in bijvoorbeeld Chalet Suisse,
tegenover het kantoor van Van Ommeren. Door het steeds meer aanvaarde
systeem werden die vergaderingen redelijk vlot afgewerkt.
Havendagen
Het zal in 1950 zijn geweest dat ik betrokken was bij de organisatie van de
zogenaamde ‘havendagen’, de eerste bijeenkomst van deputaties van personeelsleden
van de verschillende kantoren. Dit was de eerste keer dat ook de
Duitse collega’s er weer bij mochten zijn. De bedoeling hiervan was dat de
buitenlandse personeelsleden het moederbedrijf leerden kennen en anderzijds
de mensen die elkaar alleen per telefoon kenden, nu ook persoonlijk konden
kennismaken. Wij hadden thuis een van de Hamburgers te logeren. Interessant
was te horen hoe een Duitser tegen het verleden van de oorlog aankeek.
Spijtbetuigingen kwamen dikwijls voor in de gesprekken.
Hofpleinfontein
De Van Ommerens waren met hun bedrijf, gesticht in 1839, zeer vermogend
geworden. Een grootse viering van het honderdjarig bestaan was geblokkeerd
door de politieke omstandigheden. Het lag toen in de bedoeling om een cadeau
59
aan de gemeente Rotterdam aan te bieden, maar dat werd gelukkig uitgesteld,
want anders was het waarschijnlijk in het bombardement ten onder gegaan. In
1964 werd het alsnog gerealiseerd in de vorm van de Hofpleinfontein. Ik was
betrokken bij de voorbereidingen daarvan, samen met de heer Philippus van
Ommeren, de toenmalige voorzitter van de raad van beheer. De gemeente was
bang dat een hoge fontein het doorzicht naar de rivier zou blokkeren en het
was niet zo makkelijk om tot een aantrekkelijke oplossing te komen. Vandaar
dat het uiteindelijk een vrij platte fontein werd, met mooie symbolische beeldhouwwerken
van waterdieren op de acht hoeken van het bassin. Ik heb hier
in de vensterbank nog een van de voorontwerpen van beeldhouwer Cor van
Kralingen staan.
Bouwcommissie
Intussen had ik er nog een taak bijgekregen. Het bedrijf wilde een nieuw
kantoorgebouw laten neerzetten, onder leiding van de heer Van Ommeren,
die een halve architect was. Ik werd plaatsvervangend voorzitter van de bouwcommissie.
Het uitzoeken van de architect was interessant. Het werd uiteindelijk
de heer Luyt, van een Haags architectenbureau. Ik had daarbij de assistentie
van een van mijn medewerkers, Hoekstra. Ik leerde er een heleboel van, niet
alleen van de heer Van Ommeren, maar ook van de bouwwereld als geheel.
Het kantoor kwam op de hoek van de Calandstraat en de Westerlaan, waar
een terrein vrij was, en werd in twee fasen gebouwd. Toen de hoogbouw van
veertien verdiepingen klaar was, werden de oude villa en het oude kantoorgebouw
afgebroken en de zogeheten laagbouwpersoneelszaken
neergezet. Veel van het origineel
is vandaag de dag niet meer over, mede
door de fusie van Van Ommeren en
Pakhoed. Wel zit Vopak nu in de oorspronkelijke
laagbouw, al is die ontzettend
verbouwd, terwijl, als ik het goed begrijp,
de hoogbouw is omgezet in een
serviceflat. Vopak ontstond uit de fusie
van Van Ommeren en Pakhoed.

Ga jij maar in de chair

Er werd ook weleens een beroep op mij
gedaan door de heer J.J. Oyevaar, sinds 1952 lid van de raad van bestuur en de
latere opvolger van Flip van Ommeren. In ’63 werd in het Nijgh Huis een van
de internationale directiebijeenkomsten georganiseerd. Ik had daar ook een
Hoofd arbeidszaken bij Scheepvaartbedrijf Van Ommeren, 1963.
60
Zakelijke nevenfuncties Nederlandsche Maatschappij voor Nijverheid en Handel:
voorzitter Rotterdam (ca. 1965-’77) De Nederlandsche Maatschappij voor Nijverheid en Handel heeft zich altijd geïnteresseerd voor goed, op het bedrijfsleven gericht onderwijs. Voordat ik mij ermee ging bemoeien, had men al een paar rapporten over het middelbaaronderwijssysteem in Nederland het licht doen zien. Er was een commissie onderwijs bij het landelijke bureau van de maatschappij, waar ik ook voor gevraagd werd. Toen de voorzitter zich terugtrok,
nam ik op verzoek het voorzitterschap over. Vervolgens werd ik voorzitter van het departement Rotterdam en daarmee hoofdbestuurslid. De commissie onderwijs maakte een aantal zaken aanhangig. Onder andere de bevordering van informaticaonderwijs en van voldoende vakonderwijs, wat in het nieuwe onderwijsbeleid een beetje op de achtergrond raakte. Wij als commissie drongen bij het ministerie altijd aan op aandacht voor de jongens met gouden handen, die je niet met theorie moet lastigvallen, maar beter gewoon goed vakmanschap kunt aanleren. Al doende krijgen zij dan altijd ook wel belangstelling voor het waarom. Dat is een betere weg dan zij die al op jonge leeftijd met hun handen bezig willen zijn, theorie te geven.

Ander karakter

De onderwijscommissie bestaat niet meer, de Maatschappij voor Nijverheid en Handel nog wel. Het is een heel oud instituut, waar in de loop der jaren vele goede dingen uit zijn voortgekomen. Wel heeft het langzamerhand een ander karakter gekregen. Het is nu vooral een netwerkclub, waar de mensen elkaar ontmoeten bij een lunch met een interessante inleiding. Voorzitter is de oud-opperbevelhebber Berlijn. De organisatie is er altijd in geslaagd voor het voorzitterschap hele geschikte mensen te vinden, met goed inzicht, die ook op boeiende wijze de jaarvergaderingen konden leiden en voorbereiden.
Als hoofdbestuur waren we nauw betrokken bij die jaarvergaderingen, er
waren altijd interessante discussies. Ik ben nog wel lid van de maatschappij, maar wil mijn lidmaatschap nog steeds eens opzeggen.
61
Zakelijke nevenfuncties

politiekadviespolitiekadvies2
Tijdens een jaarvergadering van de Nederlandsche Maatschappij voor Nijverheid
en Handel, juni 1978.
62
Zakelijke nevenfuncties
63
tweetal onderwerpen te behandelen: management development en het rapport
van een commissie die een vereenvoudiging van de papierstroom had bestudeerd
en tevens een nieuwe huisstijl voorstelde voor het postpapier en dergelijke.
Normaliter zat Van Ommeren zo’n vergadering voor, maar toen we de zaal
binnenliepen, zei Oyevaar tegen mij: “De Waal, ga jij maar in de chair.” Ik:
“Dat kan toch niet, meneer Van Ommeren is voorzitter!” “Nee, dat regel ik
wel.” Nou, ik moet zeggen dat ik met klamme handen in die chair ging zitten,
want ik had me er niet op voorbereid.
Maar ik had gelukkig de Engelse
vergaderstijl leren kennen in de tijd dat ik president van de Tafelronde was
(zie de nevenfunctie op pagina 67), dus ik bracht het er, mag ik van mezelf
zeggen, goed van af. De heer Kroese nam het voorzitterschap waar toen ik
mijn onderwerpen moest bespreken, dus dat was ook keurig, en hij bedankte
mij aan het eind.
Niet meer door één deur
Vanaf dat moment begon ik te twijfelen of ik met de heer Oyevaar nog wel
door één deur kon, want dit was natuurlijk geen stijl. Waarschijnlijk had hij
het gevoel dat ik iets te gemakkelijk met de top van het bedrijf kon omgaan
en dacht hij: die moet ik even klein krijgen. Dat is ‘m niet echt gelukt, zeg ik
nu met trots. Na nog een aantal slechte ervaringen met Oyevaars beleid, dat in
mijn ogen niet altijd even correct was, nam ik midden ’65 het besluit om iets
anders te gaan doen.
Ik was niet de enige. Het merendeel kon eigenlijk niet tegen Oyevaar op. Ik
bracht heel wat uurtjes aan het eind van de middag door met onder anderen
de directeur rederij, die het absoluut niet eens kon worden met Oyevaar en
dan bij mij zijn hart kwam luchten. Een van mijn inmiddels goede vrinden,
de technisch directeur van de rederij, had het ook wel gezien en ging na vijf
of zes jaar ook weg. En dat allemaal doordat ze botsten met de opvattingen
van Oyevaar.
Eenmaal besloten om weg te gaan, zei ik tegen de heer Oyevaar: “Ik weet hoe
moeilijk het is om een opvolger te vinden, ik wil per 31 december hier weg en
ik zeg het u nu vast, dan hebt u de tijd.” “Wat, een half jaar tevoren opzeggen?
Dat kan niet!” Ik moest er nog een advocatenbrief aan wijden en mijn baan bij
Van Ommeren eindigde op 31 oktober. Mijn troost achteraf: de eerste opvolger
was na een halfjaar ook alweer weg.
Direct raak
Ik heb mijn netwerkje gebruikt om te kijken waar ik het beste terecht zou
kunnen. Ik wilde wat meer de commerciële kant op in plaats van alleen die
sociale kant. Zo kwam ik in contact, dankzij de toenmalige ex-voorzitter
64
van de Kamer van Koophandel, met Econosto, het Bureau voor Economische
Stoomproductie. De directeur, Jonker, zocht een directieopvolger. Mijn eerste
gesprek met hem was eigenlijk direct raak.
Ik ging dus eerst weg en zocht daarna pas een andere baan. Tegen een
juridisch medewerker van het secretariaat, die ook mede vanwege spanningen
met de heer Oyevaar vertrok maar iets na mij, zei Oyevaar: “Je hebt toch
wel een andere functie, niet zoals De Waal, hè?” Oyevaar was een man die
een mooie ambtelijke carrière had gemaakt, een intelligente vent, maar geen
prettig karakter. Hij was verder ook heel bekwaam en heeft best een grote
en goede rol gespeeld bij Van Ommeren, en later ook bij de fusies van de
rederijen. Het is een man van betekenis, maar met de een kun je nu eenmaal
opschieten en met de ander niet. Zo heb ik met de heer Van Ommeren altijd
heel goede contacten gehad. Een heerlijke, zuinige figuur. Hij was geen
zoon van de vorige Van Ommeren, maar een neef. Hij had eigenlijk architect
willen worden, dat kon je zien bij dat bouwproject, en had altijd de architectuur
als hobby gehouden. Zo zat hij ook in de bouwcommissie van het Hilton
Hotel en allerlei andere gebouwen. Hij was in staat om met een paar lijnen
een schetsje te maken van hoe het moest worden, en hij kon de architect ook
dikwijls op foutjes in het concept wijzen. Ik heb veel van hem geleerd, waar
ik naderhand weer plezier van had, want ik was bouwpastoor bij Econosto.
Ik vertrok in oktober ’65 bij Van Ommeren en kon in februari bij Econosto
terecht. In de tussentijd gaf ik wat adviesjes aan een goede clubvriend over de
opzet van een personeelsorgaan. Ook hield ik mij bezig met de voorbereiding
van de oprichting van de Hogere Economische School Rotterdam (zie de nevenfunctie
op pagina 70) en van de Lions Club (zie de nevenfunctie op pagina 77).
Dus ik had het nog druk ook.
Molenlaan in Hillegersberg
In juli ’49 verhuisden we van Den Haag naar Rotterdam, naar de Molenlaan
228 in Hillegersberg. De Van Ommeren – De Voogt Stichting financierde daar
een aantal huizen om personeelsleden van het bedrijf huisvesting te bieden. Zo
werden we daar naderhand buren van collega’s. De Van Ommeren – De Voogt
Stichting was een goededoelenstichting waarin het vermogen van de zoon van
de oprichter was vastgelegd. De stichting bestaat nog steeds en is gevestigd in
Wassenaar, waar ze ook een seniorenverzorgingshuis heeft.
De Molenlaan was in die tijd nog redelijk rustig, met jonge bomen, althans
in het tweede stuk. Het was een geheel nieuwe wijk, waar we zelfs een keer
een koe in de tuin hadden, die ontsnapt was van de toenmalige weidegronden
vlakbij. Later zijn die helemaal volgebouwd. We woonden plezierig, hadden
65
goed contact met de buurt. Hoewel, een van de rechtstreekse buren waren niet
allemaal even goed wijs, twee zusters en een broer, kinderen van een kolenhandelaar,
dus daar hadden we geen goed contact mee. In het hoekhuis naast
ons woonde de heer Schröder, directeur, later lid van de raad van beheer van
Van Ommeren, afkomstig uit Hamburg, weduwnaar. Een paar huizen verderop
woonde de familie Ten Broek, drie kinderen, de man was procuratiehouder
op de cargadoorsafdeling. Met hen onderhielden we ook na ons vertrek uit
Hillegersberg altijd goed contact. In een van de nieuwere huizen een blokje
verderop kwamen te wonen Van der Valk, technisch inspecteur van de rederij,
en Sickens-De Wal van de rederijafdeling. Met Wim en Peet van der Valk ontstond
een goede vriendschap.
Kleine kinderen
Mijn echtgenote Jopie was huisvrouw, in het begin met drie kleine kinderen:
Hans, Leo en Mariëtte. Toen we verhuisden was de jongste nog geen halfjaar
oud. Aan de Molenlaan zouden nog Gijs en Jeroen geboren worden.
Hans werd geboren op 2 augustus 1946, dus tien maanden na ons huwelijk, in
het Haagse ziekenhuis Bronovo. We zaten te eten bij mijn schoonouders op de
Surinamestraat 6 toen de weeën begonnen. Ik bracht Jopie naar het Bronovo.
Daar zei de verpleegkundige: “Het duurt nog een hele tijd voordat er wat
gebeurt, gaat u maar rustig naar huis.” Om een uur of twaalf werd ik opgebeld
dat het nu interessant was om te komen. Zo heb ik de bevalling helemaal
mogen meemaken.
De geboorte van Leo verliep wat minder makkelijk. We wilden dat thuis laten
geschieden, op ons appartementje aan de Prins Hendrikstraat. Toen het zover
was, belde de kraamzuster de gynaecoloog op en die zei: “Dat kan nog niet.”
Dus kwam hij niet. Met als gevolg dat twee uur later de zuster nog eens op-
belde: “Nu moet u écht komen!” Toen kwam de arts wel, maar inmiddels had
Leo zo lang voor de uitgang gezeten, dat hij met een soort punthoofd ter
wereld kwam. Daar waren we wel wat verontwaardigd over, maar dokter
Smid, die in Den Haag ‘de ooievaar’ werd genoemd, was een bekende naam,
dus je moest aannemen dat hij zijn vak verstond.
Waardevol advies
Leo’s geboorte was op 21 oktober 1947, redelijk vlot na de eerste. Daarom
vroegen wij aan Smid: “Hoe kunnen we het beste voorkomen dat de zwangerschappen
al te snel achter elkaar komen?” “O, dat moet uw man maar in
Groningen gaan wonen.” Een waardevol advies, dat me altijd is bijgebleven.
Toen exerceerden we maar wat – dit is toch interessant voor de latere generaties,
die de pil tot hun beschikking hadden – met de zogenaamde ‘Ogino Knaus-
66
Privé-nevenfuncties
Tafelronde 4:
lid (1953-’62), landelijk president (1961-’62)
Mijn Tafelronde 4 stelde mij in 1961 kandidaat voor het hoofdbestuur van de Nederlandse
Tafelronde. Aangezien er geen tegenkandidaten waren, werd ik dat jaar landelijk president,
in een bestuur van acht leden. Dat gaf maandelijkse vergaderingen en bezoeken
aan andere Tafelrondes in het land, maar ook internationale contacten. Ook voor Jopie
was het een gezellige tijd. De internationale vergaderingen bezochten wij samen en met
mijn eigen Tafelronde hadden we ook aardige weekenden buiten met de kinderen.
De Tafelronde is een organisatie waarvan je tot je 41ste jaar lid kunt blijven. Het nummer
4 betekende dat onze club de vierde geïnstalleerde Tafelronde was. De charme was
dat je in een club met mannelijke generatiegenoten zat. Iedereen was ongeveer tussen
de dertig en veertig jaar, velen stonden aan het begin van hun carrière, van hun gezinsopbouw,
hadden jonge kinderen. De Tafelronde was een hoogtepunt in het leven,
zowel voor de mannen zelf als voor hun vrouwen, die ook onderling goed contact
hadden. Analoog is bijvoorbeeld de junior-Kamer van Koophandel, die generatiegenoten
helpt maatschappelijke contacten te krijgen. Je zit met mensen van zeer verschillende
beroepen bij elkaar en gaat niet alleen gezellig met elkaar om, maar vertelt elkaar ook uit
eigen ervaring en verleent service aan de maatschappij, in een of andere vorm. Ik was
vanaf ’53 lid van Tafelronde 4 en aangezien de leeftijdsgrens op 30 juni was vastgesteld
en ik op 1 juli jarig ben, kon ik bij uitzondering tot en met mijn 42ste lid blijven. Het idee
was uit Engeland overgewaaid en opgepakt door Henk Bruna, van de bekende uitgeverij.
Hij bleef tot lang na zijn leeftijdsgrens belangstelling tonen voor het wel en wee van de
Nederlandse Tafelronde.
Landelijke bekendheid
Ik was vóór mijn tijd in het hoofdbestuur al secretaris en voorzitter van mijn Tafelronde
geweest en ook voorzitter van een van de nieuwe districten, die in ’59 waren gestart.
Dus ik bezat landelijk enige bekendheid en had ook een aantal van de landelijke jaarvergaderingen
bezocht. Het was niet al te zwaar georganiseerd, maar wel goed landelijk.
Het landelijk bureau in Utrecht had een beroepskracht, Cor Rab, die ook half lid van het
hoofdbestuur was en naderhand door een dochter van hem werd opgevolgd.
Wat betekenden wij voor de maatschappij? Eigenlijk deed mijn Tafelronde daar te weinig
aan. Maar bij de watersnoodramp in ’53, net voordat ik lid werd, had mijn Tafelronde
wel een heel positieve rol gespeeld. Wat ze precies hadden gedaan weet ik niet eens,
maar ze hadden er met de hele club, met onder anderen een van de directeuren van
Smit-sleepdienst, materiaal naartoe gebracht en geholpen. Tafelronde 4 kende altijd wel
wat kleine activiteiten, maar een grote was er in mijn tijd niet. We dreigden het begrip
‘vriendschap’ wat te solistisch te benaderen en het begrip ‘service’ te ondermijnen.
67
Privé-nevenfuncties
In mijn jaarrede op de jaarvergadering van ’62, tevens mijn afscheid, benadrukte ik dan
ook nogmaals dat het noodzakelijk was om niet alleen een sociëteit te zijn, maar ook
een serviceorganisatie, wil je de binding in de club goed houden. Gezellig was het wel.
Regent van de Adriaanstichting
Een van mijn positieve daden was dat ik mij, op verzoek van mijn Tafelrondegenoot mr.
I. Dutilh, advocaat, ter beschikking stelde als regent van de Adriaanstichting, samen met
medelid Willy Berkenmeier. Ik werd penningmeester-regent en hij secretaris-regent. De
Adriaanstichting was een revalidatiekliniek voor kinderen tot, ik dacht, zestien jaar, in
die tijd gevestigd aan de Straatweg in Hillegersberg. De stichting was in 1912 opgericht
door mevrouw De Monchy, die zelf een horrelvoet had, maar genoemd naar haar vader
Adriaan de Monchy. De tramconducteurs van lijn 4 kondigden bij de halte altijd foutief
de ‘Adrianááástichting’ aan. De Adriaanstichting was een belangrijke en voor ons gezin
ook zichtbare nevenfunctie. Onze kinderen maakten er jarenlang het kerstfeest mee.
Aan het eind van mijn bestuursperiode was mijn Tafelronde betrokken bij de voorbereidingen
van de nieuwbouw van de Adriaanstichting in Overschie. De architect was ook
lid van onze Tafelronde. Ik onderhandelde over een stuk grond dat we nodig hadden
van de heer Intveld, om een voldoende groot kavel te krijgen. Toen het nieuwe gebouw
geopend werd, was ik geen bestuurslid meer, maar alleen nog bestuurslid van het Fonds
Revalidatie Adriaanstichting. Inmiddels is de Adriaanstichting opgegaan in Revalidatie
Rijndam. Service hoeft natuurlijk niet alleen in fundraising te zitten – daar deden we
ook wel aan voor kleinere doelen. Voor mijzelf heb ik altijd gezegd: fundraising is niet de
enige manier, je moet ook tijd en je ervaring als leidinggevende ter beschikking stellen.
68
methode‘. Dat was een methode om via de regelmaat van de menstruatieperiode
vruchtbare en onvruchtbare dagen aan te geven. Het was geen waterdichte,
maar wel een behulpzame methode. Dat had het althans moeten zijn, want vijftien
maanden later werd onze dochter Mariëtte geboren. Wederom in het ziekenhuis
en in het vooruitzicht dat we een woning in Rotterdam zouden krijgen.
De vierde zwangerschap liep helaas niet goed af. De baby was uitgerekend
op 9 maart 1950, maar kwam al op 23 januari levenloos ter wereld. Er moest
geboorteaangifte worden gedaan. Onze huisarts in Rotterdam Hillegersberg,
dokter Santman, hielp voortreffelijk. Jopie had nog twee weken kraamzusters
en stond er toen weer alleen voor. Zij herstelde zich gelukkig zowel geestelijk
als lichamelijk goed. Ik droeg het dode kindje alleen ten grave. Achteraf
gezien was het misschien ook maar beter zo. Onze drie kinderen waren nog
zo klein en bewerkelijk. Gelukkig werd anderhalf jaar later, op 6 augustus ’51
zonder problemen zoon Gijs geboren. Na twee miskramen volgde ten slotte
op 4 juni ’57 Jeroen. Daarmee was het gezin compleet, zoals dat heet.
Vader en moeder De Waal met v.l.n.r. Gepke (weduwe van broer Joop), Leo en Jopie,
Nout en Nancy, zuster Pau, gouden bruiloft, 1957.
69
Zakelijke nevenfuncties
Hogere Economische en Administratieve School Rotterdam:
mede-oprichter (1965)
In de jaren zestig begon een uitvoerige discussie over de inrichting van het onderwijs.
Die resulteerde in de Mammoetwet, die in ’68 van kracht werd. Daarin werd ook gesproken
over het lager, middelbaar en hoger economisch-administratief onderwijs. De
toenmalige voorzitter van de Raad van Arbeid (Sociale Verzekeringsbank), A.C. van
Epenhuizen, een oud-theeplanter, schreef een artikel in de Economisch Statistische
Berichten (ESB) over de kansen die deze nieuwe wetgeving zou bieden op een nieuwe,
praktische opleiding op hoger beroepsniveau voor het bedrijfsleven. De onderwijscommissie
van de Kamer van Koophandel nodigde de heer Van Epenhuizen uit voor een
toelichting op zijn plannen. We besloten dat het reëel was om te proberen een dergelijk
type nieuw onderwijs te creëren.
Van Epenhuizen en ik werd gevraagd het plan verder uit te werken. We benaderden
drs. A.G. van der Veen, directeur van het Economisch Technologisch Instituut Zuid-
Holland, om mee te denken. Met ons drieën werkten wij een curriculum uit op basis
van een tweejarige opleiding met na afloop een stage van een halfjaar, waarna het
diploma zou worden uitgereikt. Van Epenhuizen werd voorzitter van de op te richten
stichting, Van der Veen penningmeester en ik secretaris, ondersteund door een medewerker
van de Kamer van Koophandel, mr. Leo den Ouden. Met een krap budget,
bijeengebracht door het bedrijfsleven, startte in ’66 de eerste cursus. Rijkssubsidie
mocht niet voor 1967 worden verwacht.
Bram Peper
De eerste groep studenten, onder wie ook mijn oudste zoon Hans, bestond uit
achttien voor het merendeel jongelui met een middelbareschoolopleiding, die al een
jaartje op een universiteit hadden rondgelopen en daardoor wat verder gevormd
waren dan formeel nodig was. Want de toelating was volgens de wet ook mogelijk met
een mbo-opleiding. Hierdoor was die eerste groep wat krachtiger dan het curriculum op
dat moment leek te vereisen. Het aardige was dat de studentjes mede vormgaven aan
het onderwijsprogramma met leraren die er ook geen ervaring mee hadden. Het was
nog experimenteel, maar daardoor extra leerzaam. Een van de docenten, die van sociale
wetenschappen, was Bram Peper, de latere burgemeester, die toen nog geen hoogleraar
was, maar hoofddocent aan de Erasmus Universiteit.
70
Zakelijke nevenfuncties
Het idee van voorzitter Van Epenhuizen was dat je zo’n school kon opzetten onder
leiding van iemand die helemaal geen onderwijservaring had, dus ook de ambtelijke
molen niet kende. Hijzelf had veel vrije tijd ter beschikking, beschouwde de HES als
zijn speeltje en wilde min of meer voor directeur spelen. Dat ging niet goed, zodat wij
hem na enige tijd op een zijspoor zetten door een curatorium in te stellen, waarvan hij
voorzitter mocht worden, terwijl ik voorzitter van het bestuur werd en het secretariaat
overdroeg aan Leo den Ouden. Gelukkig vonden we een van de doorgewinterde
docenten bereid het directeurschap op zich te nemen, zodat we de weg naar het
ministerie van Onderwijs wat makkelijker konden lopen.
Dertien locaties
Voor de lessen vonden we een eerste plek in Schiebroek, in een gebouw waar we een
zaal huurden. We moesten al heel gauw andere lokalen erbij zoeken. Op het hoogtepunt
van alle ellende was de school verspreid over dertien locaties. Dus een van de eerste
dingen waarmee we begonnen, was proberen om van het departement subsidie voor
nieuwbouw krijgen. Doordat onze opvattingen wat afweken van die van het ministerie,
kostte het veel moeite, maar uiteindelijk slaagden we erin om nieuwbouw te plegen. We
hadden al een ander terrein voor de nieuwbouw, toen het ministerie ineens het inzicht
kreeg dat dit een succesvol type onderwijs was en zei: “We kunnen jullie een terrein
geven op de campus van de Erasmus. Daar mag je nieuwbouw gaan plegen, maar dan
moet je dat ook in zo kort mogelijke tijd doen en een andere architect nemen dan die
je nu hebt.” Dat liep heel goed. Wij waren een van de eerste nieuwbouwers in het
onderwijs die airconditioning toepasten. Het front van de school lag namelijk aan de
Van Rijckevorselweg, dat is de entree van Rotterdam, heel druk verkeer. Daarom moest
er dubbele beglazing in en airconditioning. Dat was weer een interessant experiment.
Ik heb ten slotte het voorrecht gehad dat mijn eerste kleindochter, Barbara, het in ’66
geboren kind van Hans, de eerste paal mocht slaan. Overigens ging dat niet zo goed.
Alles was haastje-repje en ze hadden kennelijk niet goed uitgerekend welke krachten er
op die paal uitgeoefend moesten worden, dus het duurde lang voordat hij de grond in
wilde. Toch was het een leuk feestje.
71
72 Bij het 40-jarig huwelijk van Jopie’s ouders.
73
Groot huishouden
De kinderen waren redelijk gemakkelijk op te voeden. We lieten hen naar
school gaan bij het openbaar onderwijs, eerst op de Jacob Marisschool en
naderhand dichterbij, aan de Heybergstraat. Ze deden het op school allemaal
heel behoorlijk, hadden geen echte problemen. Jopie genoot van het moederschap
en was een toegewijde en capabele huisvrouw. Ik had liever gehad dat
ze wat meer hulp wilde aanvaarden, want er was veel te doen in zo’n groot
huishouden en financieel had dat best gekund. We hadden wel uit de omgeving
een paar dagen in de week hulp, dikwijls aardige meisjes van het platteland dat
toen nog dichtbij was, Terbregge. Een naam die een goede reputatie achterliet
is Bep Stougie. Haar vader was witlofteler. En, wonderlijke verhoudingen in
die tijd, ze was streng gereformeerd, dus op zondag mocht ze niets, alleen naar
buiten. Het zusje van onze Bep had een vrijer en die gingen daarom in de berm
liggen – en moesten spoedig trouwen. Dat gebeurde dus wel op zondag!
Weer tuinieren
We kwamen van een ouderwets appartement in een nieuwbouwhuis met drie
verdiepingen en een voor- en achtertuin. Leuk, nu kon ik weer tuinieren. Ook
als klein jongetje tuinierde ik al bij het ouderlijk huis, op beperkte schaal. Mijn
ouderlijk huis had een heel stijve stadstuin, met één plekje zo groot als de tafel,
waar ik iets mocht planten. Mijn broer mocht dat ook, maar die deed er niet
veel aan. Ik plantte er radijsjes en weet ik wat meer. Er lag een grindpad met
daarbinnen gras en perkjes met stamrozen en ik stond altijd in die stamrozen
V.l.n.r. vader De Waal, Gepke Leo, moeder De Waal en Jopie, 1947.
74
te knippen, de uitgebloeide eruit te halen, plukte de seringen en de rozen voor
binnen, dus het zat kennelijk in mijn bloed. Ik heb het altijd leuk gevonden
in de tuin te prutsen, als hobby. De basisaanleg van de tuin aan de Molenlaan
liet ik doen en verder onderhield ik hem altijd zelf. Nu ik in het Termaat Huis
woon, heb ik alleen nog een plantenbak op het balkon, maar in de tuin hier
beneden lag een perkje helemaal te verkommeren. Ik heb daar toen een riek in
gestoken om de grond los te maken. Er kwamen andere mensen, die zeiden:
“Wat leuk, ik kom je helpen.” Toen hebben we dat perkje zelf ingeplant. Het
bestuur vond dat eigenlijk wel aardig, zodat we zelfs een budget kregen om
plantjes te kopen. Zo werkt die hobby nog altijd een beetje door.
Spannende gebeurtenissen
In Hillegersberg beleefden wij een aantal spannende gebeurtenissen. Op een
kwade dag ontsnapte Mariëtte, drie jaar oud, op haar driewielertje aan de aandacht
van onze hulp. Wij moesten haar zelfs als vermist opgeven bij de politie. Ze
werd uiteindelijk teruggevonden bij café ’t Vaantje aan de Grindweg, ruim twee
kilometer van ons huis. Hoe ze daar gekomen was, weet niemand, ook zijzelf niet.
In de winter van 1956 zakten Leo en Mariëtte door het ijs van de Van Ballegooysingel,
op weg naar huis van de school aan de Heybergstraat. Een buurtgenote
zag het gebeuren. Zij wist de kinderen op het droge te krijgen en nam
ze mee naar haar huis om op te warmen, onder andere met een slok wodka!
Zij was een Russin. Na de telefonische mededeling haalde Jopie de kinderen
snel en met grote dankbaarheid op.
Een of twee jaar later was Gijs de Molenlaan overgestoken om naar een verhuizing
te kijken. Op de terugweg naar huis keek hij niet goed uit en werd
aangereden door een auto, waarbij hij zijn been brak. In het Bergwegziekenhuis
verliep de behandeling niet goed en hij leed hoorbaar veel pijn. Mijn echtgenote
belde mij op kantoor om te vragen snel naar het ziekenhuis te komen en Gijs
met zijn been in het gips naar huis te brengen.
Vakanties
Te midden van het werkzame leven vielen natuurlijk de vakanties. Toen de
kinderen nog klein waren, brachten we die in Nederland door. Onder andere
in Zoutelande en in Limburg, waar we verbleven in hotelletjes, pensionhotels.
Ook mochten de kinderen vaak in vakantiekampen meedoen .
Toen ze wat groter werden, lonkte het buitenland. Een van onze eerste grotere
vakanties was naar Spanje, Lloret de Mar. Dat deden Jopie en ik per auto,
met vier kinderen. Hans was vooruit gereisd naar de Dordogne, waar Jopies
broer Maarten een oude boerderij had kunnen kopen, en kwam met de trein
75
naar Lloret de Mar. Hij was toen een jaar of zestien en Jeroen was nog klein,
dus het zal omstreeks 1962 zijn geweest. Ik deed de rit op de heenweg in één
dag, met Jopie als kaartlezer, waar ze goed in was, en als bezighoudster van
de kinderen, die tijdens zo’n lange rit natuurlijk niet constant rustig waren.
Terugblikkend moet ik zeggen dat deze manier van reizen, in zo’n volgeladen
auto, nauwelijks verantwoord genoemd mag worden. Negenhonderd kilometer
op een dag, met maar enkele rustmomenten, geen autogordels nog: geen enkele
toeristenorganisatie zou dit toejuichen. In Spanje hadden we een appartement,
met een hulp die ook de warme maaltijden maakte. Op de terugweg logeerden
we wel in een hotelletje, midden in Frankrijk.
Meer mooie reizen
Verder herinner ik me mooie reizen naar Zwitserland, waar we een huisje in
de buurt van Lausanne huurden, en naar Oostenrijk, bij Lech, ook weer in een
huisje, waar we weinig zon en veel regen hadden. Tijdens die reizen probeerden
we ook de kinderen in aanraking te brengen met de lokale cultuur en historie.
Kerkbezoeken, museumbezoeken. Dat vonden ze leuk en het kostte geen
moeite hen mee te krijgen, als ze daarna maar weer naar het strand mochten
of andere leuke dingen doen. Dit waren allemaal vakanties van de rond de
veertien dagen.
Met de families Hollander en De Rooy vierden we ook nog een alleraardigste
vakantie in Cornwall. Ieder in een eigen historische cottage, die Karel de Rooy
voor ons had uitgezocht. Vandaaruit ging ik tussendoor op zakenreis naar
Liverpool, dus dat moet in mijn Van Ommeren-tijd zijn geweest.
Een andere memorabele reis was die in ’69 met Gijs en Jeroen naar Ierland,
waar we de eerste vijf dagen rondreden in een huifkar, met paard/pony, en
de tweede helft een auto huurden om meer van het mooie land te zien. We
logeerden onder andere in Londonderry, dat kort erna de eerste revolutionaire
golven onderging.
Verder lijkt het mij de moeite waard in herinnering te brengen de korte vakanties
waarin wij een bezoek brachten aan de broers en zusters van Jopie in het
buitenland. Dat bracht ons naar Engeland, Parijs, Wenen en Bonn. Zo konden
we de contacten met elkaars familie goed onderhouden en maakten ondertussen
leuke reizen.
Poppenkast
Met verjaardagen organiseerden we kinderpartijtjes in echt ouderwetse stijl,
zonder film. Dan was er weleens een jongetje dat zei: “Geen film, nou, dan kom
ik niet.” Maar dan kwam hij toch en was hij achteraf zo enthousiast, omdat we
76
Privé-nevenfuncties
Lions Club ‘De Pappegay’:
mede-oprichter, voorzitter en lid (1965-heden)
Na de beëindiging van mijn Tafelronde-lidmaatschap was er toch wel een zekere leegte
zonder die bijeenkomsten. Daarom was ik verheugd dat ik werd opgebeld door een
vriend die bezig was een Rotary-club op te richten en kort daarna door een vriend die
een Lions Club oprichtte. Ik koos uiteindelijk voor de Lions, omdat ik de ervaring had
dat zij wat meer maatschappelijk bezig waren dan de Rotarians.
Die vriend was Hans Schrijver, oud-lid van Tafelronde 50 uit Rotterdam, waardoor ik
hem kende. Bij de Lions moet je vier key members hebben om verder te mogen gaan
met de oprichting. Wij vroegen erbij Mans Mees, oud-lid van Tafelronde 4 en zoon
van een kunstschilder, en nog een vierde van wie ik de naam kwijt ben. We haalden
binnen redelijk korte tijd het benodigde minimumaantal van vijftien leden bij elkaar.
We kwamen bijeen in herberg De Pappegay in het Schielandhuis, waar we ’s avonds
vergaderden met zelfbediening, dus een kratje bier en dergelijke. Op zeer ongemakkelijke
stoelen. Volgens de Lions’ gewoonte moet je eens in de veertien dagen ’s avonds
vergaderen en eens in de veertien dagen met een maaltijd erbij. We verhuisden naar
verschillende plaatsen en vergaderen nu sinds een jaar of 25 op een mooie locatie bij
de molens aan de Kralingse Plas.
Inzamelingsacties
Van deze club ben ik ook voorzitter geweest, een keer of drie. Ik was ook zonevoorzitter,
van een samenwerkingsverband van zo’n tien clubs uit en rond Rotterdam. De charme
van de Lions is de combinatie van goede vriendschap en reële activiteit. We hebben
een paar grote dingen kunnen doen. Ik noem het bedrag van rond de 250.000 gulden
dat we inzamelden ten behoeve van de nieuwbouw van de Adriaanstichting, voor een
audiovisuele installatie in de verschillende lokalen. Een andere leuke actie was het
werven van vrienden voor het Maritiem Museum. Een latere inzamelingsactie betrof
het familiehuis Daniël den Hoed, een woonhuis voor familie van terminale patiënten en
eventueel ook die patiënten zelf. Wij leverden daar ook een aantal bestuursleden voor.
In ’65 hadden we onze charter night in het Hulskamp-gebouw, waar een van onze leden
directeur van was. De charter night is de officiële start van de club, waarbij je van Lions
International het bewijs ontvangt dat je bent toegelaten. Degenen die op dat moment
lid zijn, heten charter members. Van mijn club ben ik nu nog de enige charter member,
de anderen zijn inmiddels overleden. Bovendien ben ik life member. Dat werd ik omdat
ik, toen ik tachtig werd, wilde bedanken en dat vonden ze niet goed.
77
Privé-nevenfuncties
Lidmaatschap Wijkraden:
lid wijkraad Hillegersberg (1953-’59) en Kralingen/Kralingen-
Crooswijk (1968-’81)
In ’53 werd ik in Hillegersberg lid van de wijkraad voor de VVD. We hadden weinig invloed,
mochten alleen hier en daar het gemeentebestuur wat adviseren over bestemmingsplannen,
de aanpak van verkeersproblemen en dat soort dingen. Maar het bleef bij een advies,
bestuurlijk hadden we geen invloed. Politiek spel was er nauwelijks, maar het waren wel
aardige vergaderingen, de sfeer was leuk. Zo hadden we een potje ingesteld voor een loterij
over de voorspelling hoe laat de vergadering zou eindigen. Dat was gewoon een gok: hoelang
wordt er geleuterd? Het wilde nogal eens langdradig worden. Met de opbrengst van dat potje
werden bonbons voor de volgende vergadering gekocht.
Het lidmaatschap van de wijkraad bracht je wel dichterbij de politiek van het gemeentelijk
bestel. Het was dan ook niet onlogisch dat ik, toen we eenmaal in Kralingen ingeburgerd
waren, gevraagd werd voor de wijkraad Kralingen, later Kralingen-Crooswijk. Ik werd daarin
voorzitter van de VVD-fractie. De Partij van de Arbeid was net iets groter en kon dus het
voorzitterschap claimen, ik werd ondervoorzitter. Deze wijkraad telde zo’n vijftien leden,
onder wie een ambtelijk secretaris gefinancierd door het gemeentebestuur. In deze wijkraad
gaven we langzamerhand een iets meer dwingend advies. Het ging dikwijls over sociale
faciliteiten. We vergaderden in het openbaar, met inspraakmogelijkheden voor het publiek.
Er was één man in het publiek die in alle vergaderingen het woord vroeg. Toen ik een keer
de voorzitter moest vervangen, ontnam ik hem op een goed moment het woord. “U heeft
nu lang genoeg gesproken.” Daarop werd de man zo kwaad dat hij met een kandelaar in
de hand op me afkwam. Toen schorste ik de vergadering maar even. Ik stuurde hem niet
de zaal uit, maar het was wel even een mooi opwindend moment.
Het Niertje
We hadden redelijke invloed. Ik denk aan het zogenaamde ‘Niertje’, het gebied tussen de
’s-Gravenweg en Kralingseweg, ten oosten van de Louise de Colignylaan. Daarvoor moest
een bestemmingsplan worden ontwikkeld. We konden toen als VVD bereiken dat het
oorspronkelijke voorstel om er twee derde sociale woningbouw en een derde koopwoningen
te bouwen, werd omgedraaid in twee derde koop- en een derde sociale woningen.
Dat herinner ik mij als een van de winstpunten van de wijkraad. Ook in de Kamer van
Koophandel had ik weleens gepleit voor voldoende kwaliteitswoningen in de stad, met
name voor het hogere middenkader, zoals leraren aan de middelbare school en universiteitsmedewerkers,
voor wie er in die tijd eigenlijk nauwelijks passende woningen waren.
Ik mag zeggen dat die pleidooien enig resultaat hadden. In deze wijkraad was het politieke
veel duidelijker aanwezig dan eerder in Hillegersberg. En ook daarom was het weer
interessant om eraan mee te doen.
78
nog de ouderwetse spelletjes deden, zoals koekhappen en zaklopen. Als hobby
maakte ik toen een poosje poppenkastpoppen. Dan speelde ik voor de kinderen
poppenkast, terwijl mijn vrouw in de keuken poffertjes stond te bakken. Een
heel gezellige manier om een kinderpartijtje te hebben. Er stond een voorbeeld
in ik geloof de Libelle van hoe je zo’n pop kon maken. Dat leek me leuk
en ik heb er jaren plezier van gehad. De techniek: je begint met een wc-rol,
krantenpapier erom, crêpepapier geweekt in stijfsel, dan drogen en inverven.
Het wordt het een soort papier-maché. Zo kun je hele leuke figuren maken. De
kleren werden gemaakt met behulp van de naaister die mijn vrouw had voor
reparaties aan de kinderkleding, zij vond dat ook leuk om te doen en de restanten
stof kwamen goed van pas. Ik had Jan Klaassen en Katrijn, een veldwachter,
een heks en een burgemeester. De verhalen verzon ik zelf.
In mijn Tafelronde-tijd was er een lustrum, waarvoor iedereen iets leuks moest
doen. Ik moest er een negerpop bij maken, omdat er op dat moment veel aandacht
was voor de Chair of Race Relations, die er moest komen op de universiteit van
Rhodesië, destijds nog een Engelse kolonie. Daar moest geld voor ingezameld
worden. De Tafelronde Salesbury had ook een autochtoon uit Rhodesië opgenomen.
Daarna konden zij er geen enkele zwarte meer bij krijgen, want die ene
‘vetode’ elke nieuwe kandidaat. Hij wilde de enige blijven. Voor de Tafelronde
maakten wij daar toen een persiflage op, waarvoor die negerpop nodig was. Ik
speelde er met mijn tafelgenoot Gerrit van der Plasse een aangepast toneelstukje
met mijn poppen. Hij was zo enthousiast, dat hij op zijn fabriek een mooi
poppenkastje liet bouwen.
Uiteindelijk komt natuurlijk de klad in zo’n poppenkast, omdat je geen kleine
kinderen meer hebt. Op zeker moment organiseerde mijn Lions Club een
verkoop, waar ik mijn poppen te koop aanbood, behalve één, de heks, die wilde
mijn oudste kleindochter zo graag. Een van de eerste dingen die verkocht
waren, waren mijn poppen. Ik had ze kennelijk toch in een aansprekende stijl
gemaakt.
Kralingen
Nadat Gijs en Jeroen geboren waren, werd het huis aan de Molenlaan te klein,
want ik moest mijn werkkamer opofferen. We gingen op zoek naar een groter
huis, zowel in Hillegersberg als in Kralingen. Heel gelukkig vonden we in
Kralingen een huis op de Prinses Julianalaan 31. De Kralingsehoutflat was
net gereedgekomen, waardoor veel ouderen hun grote huizen konden verlaten
en verhuizen naar die flat. De prijzen voor die grote huizen lagen voor kopers
gunstiger. We vertrokken met gemengde gevoelens uit Hillegersberg, waar
we een flinke vrienden- en kennissenkring hadden opgebouwd, maar gingen in
1959 wel met plezier in Kralingen wonen.
79
6. Onze genen zijn rijkelijk verspreid
Hillegersberg was een dorp, maar Kralingen eigenlijk ook. Doordat er rond
die tijd nogal wat verhuizingen waren, woonden er redelijk wat jonge gezinnen
in de buurt. We hadden als nieuwkomers in de Prinses Julianalaan algauw
goede contacten met de buren, mede door de kinderen, die hun vriendjes en
vriendinnen graag mee naar huis namen.
Groot huis
Het was een groot huis, negen kamers. Beneden twee kamers en suite, plus
een serre met een terras naar de tuin toe. De tuin lag zes treden lager en
onder het huis lagen een kelder en stookruimte. De keuken lag dan weer
twee treden hoger. De wc bevond zich schuin onder de trap naar boven. Op
de eerste verdieping was aan de voorkant een grote studeerkamer met erker
plus een kabinet: een kleine kamer met één raam, terwijl andere slaapkamers
twee ramen hadden. Aan de achterkant een grote slaapkamer met balkon en
een badkamer met een aparte wc, op de gang een klerenkast. Tot slot op de
tweede verdieping twee slaapkamers en twee kabinetten plus wc en ook een
kast, die we later met de wc combineerden tot doucheruimte. Tussen de twee
kamers lag een ruime zolder, ideaal om de was te drogen en als speelplaats
voor de kinderen. Via een trapje met een soort dakkapel kon je naar het platte
dak. Het huis had een aardige voortuin en een diepe achtertuin van zo’n
dertien meter.
Ruimte genoeg
Al met al ruimte genoeg voor ons gezin en voor mij een heerlijke studeerkamer,
met ’s ochtends de zon. Die studeerkamer was door de vorige eigenaar
pas gerenoveerd, dus daar hoefde ik niets aan te doen. Er was veel ruimte voor
boeken en een open haard. Het bureau ministre, waar mijn grootvader en vader
gebruik van maakten, pastte er royaal in. Beneden in de voorkamer was ook
een open haard. De keuken was betrekkelijk klein. Die hebben we later laten
verbouwen, zodat we er ’s morgens even konden zitten om snel te ontbijten,
voordat iedereen naar werk of school verdween. Mijn vrouw Jopie kookte
goed. Ik vond het leuk om ook soms te kokkerellen, maar alleen met bijzondere
dagen, zoals Kerstmis. De tuin was mooi ingedeeld, daar hoefde ik niet veel aan
te veranderen. We hielden het lang vol om hem zonder tuinman te onderhouden,
totdat ik het te druk kreeg en ook veel naar het buitenland moest. Toen hebben
we wel een tuinman ingehuurd, die weleens verwijtend zei: “Het stoort mij als
u ook wat in die tuin doet!”
80
Dochter Mariëtte.
We begonnen met de huishoudelijke hulp die we ook in Hillegersberg hadden,
maar dat was maar even. Vervolgens kregen we een stevige werkster, die wij
‘de witte tornado’ noemden, omdat ze zo dol was op schrobben. Na haar lukte
het niet zo gemakkelijk om goede hulp te krijgen. Jopie vond dat best, maar ik
niet. Ik gunde haar wat meer ruimte. Gelukkig had ze wel tijd om wat te tennissen,
te bridgen en dat soort dingen. We hadden natuurlijk een druk gezin
en het bleek dat kinderen uit de buurt of die wat verder weg van de school
woonden, graag bij ons thuis kwamen. Wij als ouders vonden het ook leuk dat
de kinderen hun vriendjes en vriendinnen meenamen. Altijd als ik thuis kwam
voor de lunch zat er wel iemand extra aan tafel.
Verlangen
Met de Kralingse Plas en het Kralingse Bos zo dichtbij, ontstond het verlangen
naar een eigen boot. In Nieuwkoop kon ik tegen een redelijke prijs een zeilboot
– klasse ‘Vrijheid’ – met buitenboordmotor kopen. Met Hans als bemanning
voeren wij op de motor naar de Plas, waar we een ligplaats hadden gehuurd bij
Jachthaven Meulenman. Vooral de kinderen beleefden er heel veel plezier aan
en hebben goed leren zeilen.
Zoon Leo.
81
Oudste zoon Hans als padvinder.
Zoon Gijs.
Een andere wens, vooral van Gijs, was een hond. De keus viel op een Ierse
terriër. We noemden haar Joppie, naar de scheepshond uit het bekende boek
‘De scheepsjongens van Bontekoe’ van Johan Fabricius. Gijs was de eerstverantwoordelijke
voor de verzorging, maar het hele gezin droeg bij, vooral met
wandelen en uitlaten.
Schoolkeuze
In Kralingen stuurden we de drie jongste kinderen wél naar een bijzondere
school: de Kralingse Schoolvereniging, achter ons op de Rozenburglaan. Het was
geen school met de Bijbel, maar een neutrale, waar je een extra bijdrage voor
moest betalen, waardoor de klassen kleiner waren. Wat uiteraard gunstig was
voor de kwaliteit van het onderwijs. Ik denk ook dat de onderwijzers een toeslag
op het formele salaris ontvingen, waardoor de school betere onderwijzers kon aantrekken.
Het was een goede school en wij hoefden ons geen zorgen te maken als
de kinderen naar school gingen, want die hoefden alleen een blokje om te lopen.
Onze oudste zoon, Hans, zat al op het Rotterdams Lyceum toen we het laatste
jaar in Hillegersberg woonden. Die fietste een jaar lang langs de Rotte naar
school. Hans was een vroegwijze jongen. We konden met een gerust hart een
82
Privé-nevenfuncties
Kerkenraad Remonstrantse Gemeente Rotterdam:
lid (1963) en voorzitter (1965-’75)
Een intensief bestuur was mijn lidmaatschap en later voorzitterschap van de kerkenraad.
Als ik naar mijn jongere jaren kijk, lag het zeker niet in de verwachting dat ik ooit
voorzitter van een kerkenraad zou worden. Ik heb nooit catechisatie gehad. Mijn vader
verwachtte dat ik naar de Militaire Academie zou gaan aan en daar wel catechisatie zou
krijgen. In mijn gijzelaarstijd kwam ik in contact met het kerkelijk denken en geloven.
Doordat ik regelmatig de dagopening en avondsluitingen bezocht, kreeg ik via de
overdenkingen en Bijbellezingen wat meer inzicht in het christelijk denken. Maar ik was
nog steeds niet voorzien van de behoefte om me bij een kerk aan te sluiten. Toen we
kinderen kregen, net als mijn schoonzuster Rietje – in de wandeling Piet genoemd –
begon dat een beetje te spelen. Mijn schoonzuster liet haar kinderen in Den Haag,
waar wij toen nog woonden, dopen bij de Remonstrantse Gemeente aldaar en zei:
“Waarom doen jullie dat niet ook?” Wij volgden later een spoedcursus remonstrantisme,
ik werd ergens in de jaren ’50 bevestigd als lid en heb me toen meteen laten dopen.
Ook mijn lieve echtgenote liet zich bevestigen als lid, maar als katholiek opgevoed
meisje hoefde ze niet meer gedoopt te worden. Bij de doop van onze kinderen legden
wij de gelofte af dat we hen in het christelijk geloof zouden opvoeden.
Agnost
Dopen was een goed idee. Het sprak me aan, omdat ik het bestaan van een god kan
ontkennen noch bevestigen. Ik ben dus eigenlijk een agnost. Maar er is volgens mij
meer dan alleen dit aardse bestaan. Ik herinner me in mijn jaarclub nog de regelmatige
discussies met Rob Hollander, die hardnekkig ontkende dat er een god was. Hij was een
atheïst, terwijl ik niks was, maar hem wel bestreed. Er zat blijkbaar altijd ergens in mijn
achterhoofd: er móet iets meer zijn. Dus toen we het contact met de Remonstrantse
Broederschap kregen, was het logisch dat ik daar wat intensiever in ging meeleven.
De Remonstrantse Broederschap ontstond in de zeventiende eeuw door een discussie
over de predestinatie. Onder anderen de predikant Arminius ontkende dat je al bij de
geboorte weet of je in genade valt of niet. Daar kun je zelf tijdens je leven wat aan doen,
was zijn stelling. Dat leidde in die tijd tot hevige discussies in de officiële Hervormde
Kerk. Bij een landelijke synode in Dordrecht in 1609 werden de Arminianen de kerk
uitgezet, nadat hun remonstrantie was verworpen. Die groep van predikanten richtte
toen een broederschap op, die naderhand de Remonstrantse Broederschap ging heten.
De remonstrantse diensten werden officieel verboden, maar gingen wel ondergronds
door, in schuilkerken en dergelijke.
Wijkpredikant
Dat vrije geloof sprak mijn echtgenote en mij allebei aan. Toen we eenmaal in Rotterdam
woonden, zocht ik contact met de wijkpredikant. We werden regelmatige bezoekers
83
Privé-nevenfuncties
van de kerkdiensten en lieten onze kinderen in de kinderopvang van de kerk ook al wat
contacten krijgen. Al vrij snel werd ik lid van de commissie van vertegenwoordiging,
een soort parlement binnen de kerkelijke gemeente. Daar schijn ik een paar goede
opmerkingen gemaakt te hebben, waardoor ik als kandidaat voor de kerkenraad werd
beschouwd. Ik herinner me dat ik al eerder werd gevraagd en toen zei: “Dat doe ik
niet eerder dan ’62, als ik klaar ben met mijn presidentschap voor de Tafelronde.”
De eerste twee jaar was ik secretaris, met hulp van dominee Noordhoff, die mij gedoopt
en bevestigd had als lid. Een heel fijngevoelige, erudiete man. Hij maakte de notulen,
zodat ik dat niet hoefde te doen. Als secretaris zat je in het zogenaamde modoramum,
het dagelijks bestuur, dat tien dagen voor de maandelijkse vergadering met een lunch
bij elkaar kwam om de agenda voor te bereiden. Voorzitter was destijds Aak Dutilh, een
in Rotterdam geboren en getogen jurist. Hij was de zoon van Jacques Dutilh – je hebt in
Rotterdam de Jacques Dutilhweg – die wethouder van de gemeente was geweest en een
grote rol speelde in het maatschappelijk leven. Zijn zoon had dezelfde neiging om veel
maatschappelijke functies te vervullen. Na twee jaar werd ik zijn opvolger en als zodanig
heb ik de kerkenraad tien jaar mogen dienen.
Beetje orthodox
Het was een boeiende tijd. De leden moesten altijd beurtelings met een Bijbeltekst of
gebed de vergadering openen, zo orthodox waren we toen. We spraken elkaar aan met
‘broeders’ en ‘zusters’, heel ouderwets. We bekeken in die periode onder meer intensief
of we niet met andere kleinere kerken samen het gebouw konden combineren. Dat
leidde tot onderhandelingen met de doopsgezinden, die een vrij nieuwe kerk hadden,
en met de hervormde Pauluskerk aan de Mauritsweg. Uiteindelijk kwam er niets van,
omdat niemand de moed had zijn gebouw op te geven. Onze remonstrantse kerk was
genomineerd als rijksmonument en is dat, prachtig gerestaureerd met medefinanciering
van Monumentenzorg, ook geworden. Hij staat op de hoek van de Westersingel en het
Museumpark, tegenover Museum Boymans.
In de kerkenraad werd dikwijls gediscussieerd over discriminatie en andere ethische
onderwerpen, het bleven interessante vergaderingen. Ik kon de organisatie van de
vergaderingen aanzienlijk verscherpen, waardoor er makkelijker en efficiënter vergaderd
werd en minder tijd verloren ging. Dat bereikte ik door a) een goede voorbereiding in
het modoramum van de vergadering en b) door te stellen dat de rondvraag op de
agenda niet voor discussie was, maar om onderwerpen aan de orde te stellen. Ik had
dat in verschillende functies geleerd. In mijn hoofdbestuurstijd bij de Nederlandse
Tafeltonde kreeg ik al het compliment dat ik de vergadering altijd zo wist te leiden dat
men de trein van een uur of tien nog kon halen. Als je maar niet laat leuteren!
Commissie Tot de Zaken
Na tien jaar stopte ik als bestuurder. Volgens het reglement moest je iedere vier jaar
84
Privé-nevenfuncties
herkozen worden, maar ik heb
bevorderd dat er een wijziging
kwam en je maximaal drie
zittingsperioden kon hebben.
Ik kwam in die kerkenraad toen
een zekere heer Plater, een heel
aardige man, er al vijftien jaar
zat en dat is niet goed. Je moet
een bestuur op tijd wisselen.
Nu mag je geloof ik nog maar
driemaal drie jaar bestuurslid
blijven. Uiteraard ben ik wel lid
van de remonstrantse kerk
gebleven. Na mijn kerkenraadstijd
was ik nog twee jaar lid van
de Commissie Tot de Zaken
van het landelijk bestuur van de
remonstrantse kerk. Ook een
interessante periode, maar
toen ik begon te merken dat ik
de stukken niet meer goed las,
bedankte ik ervoor. Al met al
ben ik dus zo’n veertien jaar
bestuurlijk bezig geweest voor
de kerk.
De kinderen lieten wij jarenlang zondagsschool volgen en daarna catechisatie bij ds. van
Royen. Mariëtte liet zich niet aannemen. Zij heeft wel altijd een bijbeltje open op haar
kamer, voor de sier, maar ook uit gedachte. De jongens werden allemaal aangenomen,
maar deden er naderhand eigenlijk niets meer aan. Leo zat wel jarenlang in het college
van collectanten. Die waren allemaal in jacquet gestoken en collecteerden met een lange
stok met aan het eind een zwart fluwelen zakje, dat zij langs de rijen lieten gaan. Dat
vereiste zorg en discipline. Om bijvoorbeeld op op de balkongalerij te collecteren,
moest de collectant een lange zwaai maken met deze stok. Dat kon problemen geven
als er veel munten waren opgehaald. Jeroen en Gijs zongen mee in het remonstrantse
koor, waaraan ook mijn vrouw meedeed, maar in de jaren ’70 meldde Gijs zich aan als
lid van de katholieke kerk. Hij noemt zich nog wel altijd katholiek, maar praktiseert niet
meer.
‘Paus van Rotterdam’
Begin ’70 werd ik voorzitter van het oecumenisch orgaan, de Raad van Kerken in
Rotterdam. Als zodanig werd ik soms spottend de ‘Paus van Rotterdam’ genoemd.
Remonstrantse kerk, Rotterdam
85
Privé-nevenfuncties
Een kleine anekdote. In deze raad zat een vertegenwoordiger van de bisschop, pater
Braun. Toen Gijs gevormd zou worden in de kathedraal aan de Mathenesserlaan,
door bisschop Simonis, vroeg ik aan pater Braun: “Wat zou u ervan zeggen als ik
meedoe aan de avondmaalviering bij deze plechtigheid?” “Ah, dat weet ik niet, dat
durf ik niet te zeggen.” Ik woonde die dienst bij en aanvaardde het ouwel. Toen werd
me na afloop gevraagd of ik nog even bij de bisschop wilde komen. Ik dacht: o gut,
die gaat zijn verontwaardiging uitspreken. Maar nee, hij vroeg mij: “Wat vond u van
het gebed dat ik liturgisch moest uitspeken?” Grappig: hij liet dus merken dat hij
wist dat ik er was, wist dat ik voorzitter van de Raad van Kerken was, en nodigde mij
beleefdheidshalve na die dienst nog even uit. Dat had ik eerlijk gezegd niet verwacht.
Een teken van ruimte in denken, die hij toch kon opbrengen. Dat deed mij deugd.
Ik praktiseer mijn remonstrantisme nog wel, ga nog af en toe naar de kerk. We hebben
hier in het Termaat Huis eens in de maand een dienst, waarbij regelmatig ook remonstrantse
predikanten optreden en die volg ik trouw. En bij de kerstviering mag ik elk jaar
het gebed uitspreken, geen standaardgebed, maar een eigen tekst. Daar schijn ik de
goede toon voor te vinden, want ik krijg er altijd heel veel bedankjes voor.
Gemeentepolitiek:
VVD-kandidaat gemeenteraad (1978)
Mede door mijn activiteiten in de wijkraad werd ik bijna gemeenteraadslid. Dit zal in ’78
zijn geweest. Mijn kandidatuur was niet alleen daaraan te danken, maar ook aan mijn
veelvuldige adviezen aan gemeenteraadsleden van de VVD over met name onderwijs en
arbeidsmarkt. En ook een beetje door mijn contact met mevrouw Neelie Kroes, die ik
weleens had ontmoet. Zij was toen ook lid van de gemeenteraad in Rotterdam – en
naderhand minister. Maar gelukkig, achteraf, stond ik op plaats zeven van de lijst, terwijl
de VVD zes zetels behaalde en ik dus net niet verkiesbaar was. Want het was een slechte
combinatie geweest, gemeenteraadslid en een commerciële functie als directeur van
Econosto. Ik kan veel zaken combineren, maar dit was veel te druk geweest. Ik heb het
gezien aan de heer Reus van de Steenkolen Handelsvereniging: die had een dergelijke
combinatie de vorige periode gehad en was er bijna aan onderdoor gegaan.
86
avond naar de overburen gaan en hem op de andere kinderen laten passen.
Als we verder weggingen namen we wel een babysit. Het was zelfs zo dat in de
Molenlaan – Hans was een joch van een jaar of elf – de moeder van een van
de kennissen uit de Van Ommeren-kliek ziek was en hij ernaartoe ging om de
aardappels te schillen of zelfs te koken, geloof ik.
Ouderbezoek
Wij hadden er vanaf onze verhuizing naar Rotterdam een gewoonte van
gemaakt om mijn ouders – en zo nu en dan Jopie’s ouders – iedere zondag
op te zoeken met alle kinderen. Eerst deden we dat per openbaar vervoer,
met tram en trein, totdat we onze eerste auto kochten, een Ford Anglia, toen
Gijs een paar jaar oud was. Nadat ook Jeroen geboren was, was het een volle
bak in dat autootje en werd er nogal wat geruzied tussen de kinderen. Maar
eenmaal op de Surinamestraat in Den Haag aangekomen, vonden ze algauw de
tinnen soldaatjes en blokkendoos om op zolder mee te spelen. Na ruim een jaar
kochten we een grotere Ford Consul, en nog later de weer iets grotere Valliant.
Kort voordat we verhuisden naar het grotere huis in Kralingen, in april ’59,
overleed mijn moeder. Na de afwikkeling van de erfenis konden we een aantal
De eerste auto, een Ford Anglia.
Jeroen op de lagere school, 1966.
87
meubelen uit het ouderlijk huis bij ons plaatsen. Mijn moeder leed jarenlang
aan multiple sclerosis en overleed aan een longontsteking toen ze pas 72 was.
Zoals dat met dit soort kwalen gaat: op een of andere manier gaat er door die
MS iets mis in het lichaam en de ene keer is dat een longontsteking, de andere
keer hartfalen.
Mijn vader was twee jaar eerder overleden, net geen 78 jaar oud. In 1957 wilde
hij zo graag nog een keer naar de bergen – zonder mijn moeder, die was veel
te invalide. Hij vroeg mijn broer Nout en zijn nieuwe Amerikaanse echtgenote
Nancy om hem te begeleiden. Zij kwamen daarvoor uit Amerika over. Mij vroeg
hij om toestemming, want, zoals hij zei, het ging natuurlijk wel ten koste van de
erfenis! Ik heb uiteraard met een brede glimlach ‘vanzelfsprekend’ gezegd. Van
die reis genoot hij nog erg. Kort voor Kerstmis van dat jaar kreeg mijn vader een
hersenbloeding en dat was het begin van het einde. Ik herinner me dat ik tegen
de huisarts zei: “Probeer hem niet weer een beetje op te kalefateren, want dat past
niet bij hem.” De huisarts gaf hem nog een of andere prik, waarvan mijn vader
in coma raakte. Daarvan werd de huisarts zenuwachtig, omdat het waarschijnlijk
min of meer als een soort euthanasieprik was bedoeld, al weet ik dat niet zeker,
want dat heeft hij mij nooit verteld. Hij raadpleegde nog wel een neuroloog die
twee huizen verder woonde in het voormalige huis van mijn schoonouders, die
inmiddels verhuisd waren. Ongeveer een week later overleed mijn vader.
Specifieke begrafeniswensen
Hij had heel specifieke wensen omtrent zijn begrafenis. Hij wilde als cavalerist
graag met de paardenlijkwagen en de gasten in koetsjes naar de begraafplaats
gebracht worden. Het was een hele toer om dat te regelen, want zoiets was
niet erg meer in de mode. Bij het graf moest gevraagd worden of het Trompettercorps
van het regiment huzaren in Den Haag de last post mocht blazen.
Aan die wensen heb ik kunnen voldoen.
Helaas kon mijn moeder niet mee met de begrafenis, want die was te invalide
door de MS. Maar gelukkig hadden we al een goede, intern wonende verzorgster
gevonden in de persoon van juffrouw Mulder. Het huis was inmiddels zo
ingericht dat zij een eigen kamer had en zelfstandig kon leven. Ze had niet veel
opleiding, maar was erg zorgzaam. In het laatste stadium van de MS-kwaal
had mijn moeder heel veel zorg nodig. Ze werd altijd nog vanuit haar bed in
een stoel gezet, zodat ze in de huiskamer zat als wij in het weekend op bezoek
kwamen. Ze was praktisch blind door staar. Tot mijn verbazing werd het een
paar maanden na het overlijden van mijn vader toch mogelijk geacht haar aan
de staar te opereren, zij het niet met het inzetten van een lens, maar dankzij
een dikke bril. Daardoor was het toch nog mogelijk voor haar om onze jongste
zoon Jeroen te zien.
88
Uitkering aan juffrouw Mulder
Mijn moeder is gewoon begraven. Nout kon daar niet voor overkomen. Hij
verleende mij alle volmachten als boedelberedderaar, wat ik overigens ook
voor mijn vader had gedaan. Hij had ook geen behoefte aan veel spullen uit
de boedel, wilde maar een paar dingen graag hebben. Vóór het overlijden
van mijn moeder hadden we als legaat in haar testament laten opnemen een
uitkering aan juffrouw Mulder tot de leeftijd van 65 jaar. Maar zij ging uiteraard
elders wonen en vroeg of ze dat fonds in contanten kon krijgen, om een
opleiding als masseuse te kunnen gaan volgen. Ik stemde daarin toe. Toen ze
daar uiteindelijk mee klaar was en adverteerde, kreeg ze haar eerste klant.
“En die”, vertelde ze met enige hilariteit, “wilde zijn onderbroek uittrekken!”
Ze wist kennelijk niet dat massageadvertenties ook weleens erotisch bedoeld
waren.
Erfdeel
Mijn zuster, die inmiddels met haar dochter Sandra was teruggekomen uit Engeland
en op de benedenverdieping van het ouderlijk huis aan de Surinamestraat
woonde, nam als haar erfdeel het huis over, herindeelde het en maakte er drie
etagewoningen van. Er kwam ook eindelijk centrale verwarming in het huis.
Zijzelf bleef op de begane grond wonen, terwijl ze de eerste en tweede verdieping
tegen een goede prijs verhuurde, waardoor ze redelijk in haar onderhoud
kon voorzien.
Overigens was de afwikkeling van de erfenis niet helemaal gemakkelijk, omdat
mijn zuster het niet goed vond dat Jopie bij het voorlezen van het testament
aanwezig was: “Daar heeft ze niks mee te maken!” Ik maakte daar weinig ophef
over, maar vond het wel een heel pijnlijke situatie. Het betekende ruzie in de
familie. Toen mijn zuster het huis wilde hebben, weigerde ik om het aan haar
af te staan tegen de boedelwaarde, die altijd lager is dan de marktprijs. Ik
zei: “Dat is te veel voordeel naar jouzelf toe trekken.” Ze aanvaardde het met
moeite. Bij de verdere afwikkeling van de boedel werkte ze goed mee. Het was
ook in haar belang dat het huis zo gauw mogelijk leeg was, zeg ik nu bitter.
Het was jammer dat ze zo’n moeilijk karakter had, want ze was een intelligente
vrouw, haar familie waardig.
Vereenzamen in New Jersey
Bij een vorig bezoek aan Nederland bleek Nout toch MS te hebben. Hij bezat
eerder al een indicatie, maar had dat niet aan onze ouders verteld. Die zouden
zich maar zorgen maken. Later bleek dat ook zijn echtgenote Nancy MS had.
Hij kon nog een hele tijd zijn werk voor de KLM blijven doen, tot hij een keer
bij het uitstappen uit de bus bij het KLM-kantoor een misstap deed en zijn heup
brak. Nadien was hij invalide. Uit de correspondentie maakte ik langzaamaan
89
op dat ze wat vereenzaamden in New Jersey, een eindje weg van New York,
omdat Nout invalide was en niet meer kon werken. Ik vroeg: “Waarom kom je
niet naar Nederland? Hier hebben we veel betere zorg dan bij jullie in Amerika.”
Dat was geen makkelijke vraag voor Nout, die trots was dat hij de Amerikaanse
nationaliteit had gekregen, terwijl Nancy weinig of geen Nederlands sprak.
Daarom ging ik naar Amerika om ze op te zoeken, met medewerking van de
directie van Van Ommeren, die me een paar extra dagen vrij gaf. Met een
KLM-vliegtuig, naar ik meen het eerste met straalmotoren, vloog ik tegen
familietarief naar New York. De vlucht was via een tussenstop in Ierland,
want de grote sprong over de oceaan was nog niet mogelijk.
In New York hadden Nout en Nancy een hotelkamer voor mij geboekt, omdat
ze thuis niet de verzorging konden bieden waar ik volgens hun recht op had.
Ik ging wel bij hen op bezoek. Ook maakten wij met hulp van een vriend een
excursie naar het buitenhuis van een vereniging van natuurliefhebbers, waar
Nout lid van was en van waaruit ze veel wandelingen maakten. Mijn broer
zei: “Ja, idealer wonen kan niet, binnen anderhalf uur ben je in een gebied à la
Luxemburg.” Het was inderdaad een heel aantrekkelijke plek waar ze zaten.
Verder werkte ik mijn programma in New York af. Ik bezocht natuurlijk even
het kantoor van Van Ommeren en deed wat aan sightseeing. Ik had een gesprek
bij de accountant van mijn broer en schoonzuster en ging op bezoek bij
een bank waar ze een vermogentje hadden ondergebracht, zodat ik volledig op
de hoogte was van hun financiële toestand en kon beoordelen wat er gebeuren
moest. Op dat moment waren ze allebei nog mentaal volkomen fit. Het was dus
goed mogelijk om samen te overleggen. Bij elkaar was ik een dag of vier in
Amerika.
Naar Nederland
Uiteindelijk besloten Nout en Nancy inderdaad naar Nederland te komen in
’62 ongeveer. We konden in Den Haag een beganegrondappartement in een
pension voor hen huren, waar ze gedeeltelijk met eigen meubelen introkken.
Daaronder een televisie die, toen ze moesten verhuizen naar een verpleeghuis,
ons huis binnenkwam, tegen mijn zin. Het was nog een ouderwets zwart-wittoestel.
Tot die tijd gingen de kinderen bij de buren kijken als er een voetbalwedstijd
van betekenis was. Maar ja, als je eenmaal zo’n ding in huis hebt, ga
je door de knieën en het duurde niet zo lang meer of we hadden een nieuwe,
met een antenne op het dak.
In Nederland had Nout vele oude vrinden, die allemaal trouwe bezoekers waren,
en één bijzondere vriendin, Greet de Vries, wier man bij de Holland Amerika
Lijn in New York had gewerkt. Greetje de Vries was een warme vrouw, die heel
90
veel voor het echtpaar in Den Haag heeft gedaan. Ze kwamen ten slotte terecht
in het Verpleeghuis Preva. Mijn broer had MS in een veel verder stadium dan
mijn schoonzusje, maar bij hun laatste bezoek voordat ze voorgoed deze kant uit
kwamen, stapten ze allebei uit het vliegtuig met een stok. Nout zei: “Het was een
‘bargain’, ik kon er twee voor de prijs van een krijgen.” Hij pakte alle ellende wel
met humor op.
In Preva kregen ze samen één kamer. Dat was fijn, dan hadden ze privacy.
Mijn echtgenote en ik gingen daar ieder weekend heen, al of niet met een van
de kinderen. Mijn broer overleed in ’76. Voor Nancy was dat een ramp, want
zij moest haar eigen kamer opgeven en werd op een zaaltje van zes geplaatst.
Toch bleef ze er redelijk optimistisch onder, mede dankzij de goede hulp van
Greetje, zodat ze ook op doordeweekse dagen regelmatig bezoek kreeg en
iemand had die hielp en dingetjes voor haar kon kopen. Ik was gevolmachtigde
voor haar financiën. Twee jaar voor haar overlijden kreeg ze nog een erfenis
van een rijke tante uit Amerika. Daarna ging ik met haar naar de notaris voor
een nieuw testament, zodat zij kon benoemen wie de begunstigden zouden
moeten zijn als ze kwam te overlijden. Zij overleed vijf jaar na Nout. Haar
begrafenis viel op 15 december, dat onthoud ik nog altijd: dezelfde dag waarop
het afscheidsfeest van mij bij Econosto plaatsvond. Dat was niet zo’n leuke
combinatie.
Engeland
Mijn zuster Pau was 85 jaar toen ze in 1993 in Engeland overleed. Ze had
haar dochter naar Engeland gestuurd om een opleiding tot verpleegkundige
te volgen, na drie of vier jaar mms, middelbare meisjesschool, in Nederland.
Daar kwam Sandra in aanraking met haar toekomstige echtgenoot via het
koor van de anglicaanse kerk waar ze bij zong. Toen het ernaar uitzag dat
haar dochter permanent in Engeland zou blijven, verhuisde mijn zuster
vanuit ons ouderlijk huis ook daarheen. Ze was er al op het moment dat het
huwelijk werd gesloten. Ik werd gevraagd om de bruid weg te geven, zoals
dat heet in de Engelse kerk. Dus ik had een eervolle positie! De man, Chris,
was bouwkundige op hts-niveau. Hij was onder meer betrokken bij de kunstwerken
voor de treintunnel onder het Kanaal. Hij was ook een heel trouwe
kerkganger en werd zelfs na zijn pensionering hulp-minister, hulppriester in
de anglicaanse kerk.
Pau bleef daar wonen, in een bungalowtje in Surrey, eigenlijk een piepkleine
cottage. Chris en Sandra hadden een aardig huis in dezelfde gemeente, maar
een andere wijk, en kregen daar drie kinderen. Pau kreeg problemen met
haar bloedcirculatie, ‘open benen’. Een paar jaar voor haar overlijden werden
beide onderbenen geamputeerd, maar ze bleef toch zelfstandig wonen. Dat
91
deed ze heel knap. Wij onderhielden braaf het contact met haar, logeerden
zelfs een keer in dat bungalowtje. Dat was in de tijd dat we nog met de eigen
auto naar Engeland overstaken, met de boot via Oostende. Op het laatst,
wonder o wonder, zei ze tegen Jopie: “Als ik het leven over mocht doen, zou
ik een ander contact met je gehad hebben.” Dat was toch een troostvolle
inkeer. Maar zo was ik dus vanaf ’93 de enige overgebleven De Waal van het
hele gezin.
Belangstelling voor het agrarisch bedrijf
Wat het eigen gezin betreft: onze kinderen deden het op school redelijk, tot ze
in de puberteit kwamen en allerlei strapatsen kregen. Hans deed met één jaar
vertraging hbs-B op het Rotterdams Lyceum. Daarna ging hij naar de universiteit
in Wageningen. Hij had altijd grote belangstelling voor het agrarisch bedrijf
getoond. Toen hij een jaar of zestien was en wij in de vakantie een huisje
huurden op een landgoed bij een grote boerderij, zagen we Hans vrijwel niet,
hij was altijd op die boerderij bezig. Wageningen was dus een terechte keuze.
Maar het studentencorps was ook erg gezellig. Hij besteedde meer tijd aan
het bezoeken van de sociëteit en het roeien dan aan zijn studie. Dus het eerste
jaar: nul resultaat. Het tweede jaar waren de prestaties nog niet groot, maar ze
begonnen wel te komen.
Op een of ander feest nam hij een meisje dat hij aardig vond mee naar zijn
kamer, met alle gevolgen van dien. De jongelui wilden graag verder met elkaar.
Daarop kwam de vraag van de ouders van deze drie jaar oudere Meinke:
“Wat doen we?” Wij gingen bij hen op bezoek en ik herinner me nog de blijde
gezichten van hen beiden toen wij zeiden: “Laat ze maar trouwen, wij vangen
ze wel een beetje op.” Haar vader was directeur van het radiostation Kootwijk.
Het gezin woonde daar ook bij en er was een soort tuinhuis waar Hans zogenaamd
kon studeren. Ik had al gauw in de gaten dat dat niet zou lukken. Ze
trouwden in juni ’66 en onze eerste kleindochter, Barbara, werd op 26 december
geboren.
Als jong echtpaar woonden ze een tijdje bij ons in Kralingen, op zijn oude kamer
en het kabinet. Ik had intussen via een van mijn relaties een appartement
in de Alexanderpolder voor hen kunnen vinden, dat zij per 1 januari ‘67 mochten
betrekken. Maar de geboorte vond nog plaats vanuit de Prinses Julianalaan.
We zaten nog aan het kerstdiner toen Meinke ineens actief werd. Ze beviel in
het toenmalige Van Dam Ziekenhuis aan de Westersingel, wat nu als zodanig
helemaal verdwenen is en een revalidatiecentrum is geworden. Inmiddels had
ik tegen Hans gezegd: “Jongen, dit wordt niks zo. Ik heb net de Hogere Economische
School opgericht (zie de nevenfunctie op pagina 70), ga jij die maar
doen.” Dat deed hij, en goed ook. Hij behoorde, zij het in een kleine groep, tot
92
de beste twee en ik heb hem dat diploma mogen uitreiken als voorzitter van de
school. Met dat diploma ging hij solliciteren bij tabaksgroothandel A.L. van
Beek N.V. en door dat bedrijf werd hij in 1969 uitgezonden naar Cartagena
in Colombia. Hans vond het heerlijk in de tropen en hij werkte daar jaren met
groot plezier. Van Beek bestaat al 25 jaar niet meer, maar zat toentertijd aan de
Eendrachtsweg in Rotterdam.
Van de ene school naar de andere
Leo begon op het Erasmiaans gymnasium. Hij had er wel de hersens voor,
maar niet de passende ijver. De rector stuurde hem weg onder het motto:
wie hier wil leren, moet heel goede hersens hebben en/of hard werken – en
Leo deed niet aan hard werken. Het werd schuiven van de ene school naar de
andere. Dankzij mijn contacten kon ik hem op de gymnasiumafdeling van het
Libanon Lyceum plaatsen, maar daar ging het ook niet goed. Ten slotte kwam
hij terecht op het christelijk gymnasium Marnix aan het Henegouwerplein,
waar hij in het eindexamenjaar net op een half puntje zakte en dus een jaar
over moest doen. Hij toonde zelfs een matige lijst bij het halen van zijn diploma,
want hij had de pech om een paar maanden voor het eindexamen de ziekte van
Pfeiffer te krijgen.
V.l.n.r. Leo, Jopie, Charlotte Bruens, zoon Leo en mevrouw en de heer Bruens
in de tuin van de Prinses Julianalaan.
93
Leo had de wens om naar Willemsoord, het opleidingsinstituut voor marineofficieren
in Den Helder, te gaan, maar die kans kreeg hij niet meer, omdat
hij net iets te oud was geworden door de vele vertragingen. Hij ging wel het
leger in voor zijn militaire dienst. Daarna stond hij nog één jaar ingeschreven
bij de Economische Hogeschool, afdeling rechtenstudie. Hij volgde zelfs
een aantal colleges, maar vond het studentenleven altijd interessanter dan de
studie. Toch pikte hij er wat van op, want hij kon met zijn zusje Mariëtte, die
inmiddels een eind gevorderd was met haar rechtenstudie in Leiden, aardig
discussiëren over juridische onderwerpen. Leo vond een vriendin voor wie een
van zijn clubgenoten ook belangstelling had. Wij zeiden tegen hem: “Als je dat
meisje graag wilt hebben, moet je nú optreden.” We stimuleerden hem dus.
Het was een meisje Bruens, Charlotte, en met haar vader had ik bij de Kamer
van Koophandel in de commissie voor de praktische kantooropleiding gezeten.
Je ziet, er begon weer een kringetje rond te worden. Hij was directeur van het
arbeidsbureau in Rotterdam, naderhand directeur sociale zaken. Hij was een
uitstekende gemeenteambtenaar, met wie wij goed konden opschieten, evenals
met de moeder van Charlotte.
Gymnasium Erasmianum
Mariëtte ging naar het gymnasium Erasmianum. Dat verliep allemaal goed tot
de vijfde klas, al zat ze liever met haar vriendinnetjes te kletsen of opgekruld
in een stoel in de zon te lezen dan huiswerk te maken. De rector adviseerde om
haar de vijfde klas te laten doubleren. Ik geloof dat dat een heel verstandig
advies was, al was Mariëtte er zelf boos over. Ze had altijd veel last van
keelontstekingen en in december van haar laatste schooljaar besloten we haar
amandelen te laten knippen, een toen heel pijnlijke procedure, waardoor ze een
aantal weken patiënt was. Meteen daarop kreeg zij ook de ziekte van Pfeiffer,
die haar tot februari met flinke koorts in bed hield. Ze deed echter een uitstekend
eindexamen en ging naar Leiden om rechten te doen. Mariëtte was nogal
reislustig en zocht Hans en Meinke voor een paar maanden op in Colombia
ten tijde van de geboorte van hun zoon Remco. Een jaar later, nog voor haar
afstuderen, kreeg ze een studiebeurs om een jaar in Pretoria, Zuid-Afrika,
strafrecht te kunnen studeren. Ze deed haar scriptie over het Zuid-Afrikaanse
gevangeniswezen, wat haar de gelegenheid gaf om niet alleen nuttige kennis
op te doen, maar ook veel van dat land te zien. De verloren schooltijd haalde ze
in door binnen de termijn haar studie af te wikkelen, dus dat was zeer geruststellend.
Je moet ermee leven
Gijs, dat was een jongen die veel vriendjes en vriendinnetjes had. Maar op
zekere dag meldde hij zich toen wij nog op bed lagen, hoe oud hij was weet ik
niet meer, en zei: “Ik ben homo.” Wij zeiden: “Goh jongen, wat akelig voor je,
94
maar je blijft onze zoon. Ben je er helemaal zeker van? Wees verstandig, praat
eens met onze huisarts en met de dominee. Als je daarna zegt ‘ja, het is mijn
aanleg’, dan moet je ermee leven. Maar denk eraan dat het niet altijd eenvoudig
zal zijn.” Hij voerde die gesprekken en ging voortreffelijk met zijn homoseksualiteit
om. Hij had zelfs vriendinnen die wisten dat hij homo-geaard was en
toch nog wat in hem zagen, want het is inderdaad een charmante vent. Voor
ons was het natuurlijk toch een beetje schrikken. Je moest er in die tijd nog niet
te veel over praten.
Gijs begon op het Rotterdams Lyceum, maar zijn belangstelling voor feestjes
en dergelijke was groter dan voor zijn huiswerk, dus er kwamen ook haperingen
in dat programma. Toen hij voor een tweede keer bleef zitten, zei de
rector dat hij niet kon blijven. Dat moet in ’67 zijn geweest. De havo-opleiding
was net nieuw en werd gegeven op het Libanon Lyceum, waar hij uiteindelijk
zijn diploma haalde. Hij had een goed stel hersens, maar een te speels karakter.
Met die havo ging hij naar de hogere landbouwschool in Deventer, afdeling
tropische veeteelt. Hij had een beetje dezelfde neiging als zijn grotere broer.
Daar ging het studeren niet hard, maar hij stak er wel veel van op. Hij deed
zijn hoofdstage bij een Franse herenboer in Bretagne, met een moderne veestal
van goede melkkoeien. Daar werd Gijs min of meer vrind aan huis; hij bracht
er later ook nog eens een tijd door. Hij woonde daar in een kasteel. Wij gingen
er tweemaal op bezoek: de ene keer specifiek om kennis te maken met de familie,
de andere keer en route naar de Dordogne. Gijs deed het zo goed – hij had het
kennelijk toch in de vingers – dat toen de familie met vakantie ging, ze hem de
leiding over de boerderij gaven.
Leo met oudste kleinkinderen, Barbara en Remco in 1973 of’74.
95
Uiteindelijk kon hij toch niet in Deventer blijven. Hij zat een halfjaar op de
christelijke hogere landbouwschool in Flevoland, maar dat was evenmin een
succes. In die tijd was het de regel dat per gezin twee zonen de militaire dienstplicht
hadden, meestal de oudste. Toen Hans naar Colombia uitgestuurd zou
worden, besprak hij eerst met Gijs of die bereid zou zijn om de dienstplicht te
vervullen. Gelukkig werden ze het hierover eens. Gijs ging daarom in militaire
dienst. Hij meende dat hij solide genoeg was om bij de commando’s te gaan,
maar dat bleek te zwaar voor hem. Toen werd er een longaandoening bij hem
geconstateerd en ging hij over naar de grenadiers. Dat diende hij wel uit. Terwijl
Leo de reserveofficiersopleiding cavalerie deed en het tot reserveritmeester
had geschopt, ging Gijs gewoon de dienst weer uit.
Staatsexamen hbs
Jeroen was ook niet de vlugste op school. Eerst het Erasmiaans, naderhand
het Rotterdams Lyceum. Hij dreigde in de vierde klas wederom te falen door
gebrek aan concentratievermogen. Dat hebben we kunnen oplossen door hem
naar de speciale opleiding van Instituut Blankenstein in Utrecht te sturen, waar
je voor je staatsexamen kon opgaan. Doordat Jeroen met al zijn vertragingen
21 jaar was, hoefde hij maar zes vakken te doen in plaats van zeven van het
reguliere examen. Die haalde hij keurig met zevens, dus dat ging goed. Al was
het wel een flinke investering. Jeroen wilde ook graag naar Wageningen en daar
maakte ik één fout: ik hield mijn poot niet stijf. Ik had willen zeggen: “Haal
eerst je propedeuse, toon dat je de studie aankunt, dan mag je corpslid worden.”
Maar mijn echtgenote zei: “Ah, de anderen hebben het toch ook zo kunnen doen.
Ik vind het een beetje zielig.” Dus Jeroen had ook veel pret in Wageningen
en deed meer jaren over de studie dan nodig was. Hij haalde uiteindelijk wel
zijn ingenieurs tropische veeteelt en ontmoette in Wageningen zijn toekomstige
echtgenote, Nanette. Zij had in Utrecht geografie gestudeerd, maar wilde nog
een jaarprogramma ontwikkelingssamenwerking erbij doen. Jeroen had dat als
keuzevak en zo kwamen ze bij elkaar in de collegebanken terecht.
Voortgezet
Als ik mij dan realiseer dat ik inmiddels dertien kleinkinderen en vijftien
achterkleinkinderen
heb! Mijn vader kwam uit een gezin met één meisje en
een tweelingbroer, en die broer kreeg alleen twee dochters. Mijn vader produceerde
één dochter en drie zonen. Joop overleed te vroeg, Nout kreeg geen
kinderen en Pau alleen een dochter. Ik ben dus de enige die de tak-De Waal
heeft voortgezet, met vier zonen. Mijn oudste zoon heeft uit zijn twee huwelijken
één zoon en drie meisjes. Leo: drie meisjes. Mariëtte, die niet de naam
De Waal voortzet: drie jongens en een meisje. Gijs: geen kinderen. En geluk-
kig Jeroen: twee jongens. De familie De Waal blijft toch nog bestaan! Alles
bij elkaar mag ik zeggen dat onze genen toch rijkelijk verspreid zijn.
96
Jopie en Leo bij het huwelijk van Mariette en Richard, januari 1977.
97
7. Bureau voor Economische Stoomproductie
Econosto begon als een technisch adviesbureau voor de inrichting van ketelhuizen.
De officiële oprichtingsnaam luidde ‘Technisch Bureau voor Economische
Stoomproductie’, met als naam in het telegramadres ‘Econosto’, wat
uiteindelijk de bedrijfsnaam werd. Het was in 1892 opgericht door drie Delftenaren,
maar grootgemaakt door directeur Roeters van Lennep. Toen ik er
kwam, was het een middelgroot bedrijf, gevestigd op de Admiraliteitskade,
in het oude gebouw van een melkproductiebedrijf. In de loop der jaren was
Econosto omgezet van een adviesbureau in een technische groothandel van
alle producten die nodig waren voor de veilige inrichting van een ketelhuis,
met andere woorden, voor de productie van stoomenergie. De groothandel had
het oorspronkelijke doel min of meer overwoekerd, maar dankzij dit begin als
adviesbureau, had het bedrijf wel op een technisch hoog niveau kunnen blijven.
Onze buitenmensen waren minstens op mts-niveau, maar velen bezaten het
niveau van scheepswerktuigkundige. We konden onze afnemers dus altijd van
goed technisch advies voorzien.1
Prompte levering
Bovendien was het bedrijfsbeleid om grote voorraden aan te houden voor
prompte levering. De producten werden in het algemeen aangeduid als ‘appendages’:
alles wat aan een ketel gemonteerd moest worden om hem te laten
functioneren, zoals afsluiters, thermometers, manometers en veiligheden. Een
grote sortering. Ketelhuizen heb je overal, in iedere fabriek zit er wel een. Ook
ziekenhuizen bijvoorbeeld hebben meestal een groot eigen ketelhuis. In Rotterdam
is dat inmiddels veranderd door de stadsverwarming, maar voor zover
ik weet hebben ze nog altijd ook een eigen ketelhuis. Verder verhandelden
we appendages voor de olie-industrie, de scheepsbouw en de bouwwereld,
zowel voor de woningbouw – centrale verwarming – als voor de industriële en
institutionele bouw. Dus onze afnemerskring was groot. We hadden ook een
aanzienlijke exportafdeling, onder andere voor schepen die in het buitenland
een dokbeurt kregen en dan vervangende appendages nodig hadden. Een heel
goede klant zat op Curaçao, de Curaçaose Dokmaatschappij, die ik ooit een keer
bezocht, na een bezoek aan mijn zoon Hans in Colombia.
Binnenkomen in een geheel ander bedrijf vraagt de nodige aanpassingen. Mijn
eerste indruk was dat Econosto goed georganiseerd was en veel trouw personeel
had. Dikwijls werden ook broers en zusters en neven en nichten binnengehaald.
1. Zie http://tinyurl.com/q6g3wlo
98
Dat zorgde voor een bijzonder prettige sfeer. Het bedrijf had trouwens
ook veel trouwe aandeelhouders. Ik werd in eerste instantie aangesteld
als procuratiehouder, met het vooruitzicht directielid te worden. Een echte
functie had ik eigenlijk nog niet, maar mijn werkzaamheden waren in samenwerking
met de directeur, de heer Jonker, nieuwe ontwikkelingen bekijken en
de interne organisatie onder de loep nemen. Een van mijn eerste karweitjes
was een vrijwillige ziektekostenverzekeringpolis opzetten voor degenen die
in de nieuwe wetgeving buiten het ziekenfonds vielen. Uiteindelijk kwamen
we terecht bij de Ohra, waar ik nog altijd op basis van de collectieve verzekering
verzekerd ben.
Computerisering
Mijn volgende opdracht was het begin van de computerisering van de administratie,
eind jaren ’60. Er was al de nodige mechanisatie in de administratie
doorgevoerd, onder andere voor de facturering, er was al ervaring met ponskaarten,
maar we wilden nog moderner worden. Ik heb toen de invoering
van de eerste computers onder mijn hoede gekregen. Dat betekende offertes
aanvragen bij diverse bekende computerorganisatie als IBM, Hewlett Packard
en andere. Uiteindelijk viel de keuze op IBM. In die tijd waren computers nog
hele grote monsters, die veel warmte afgaven. Daarom moest je die machines
in een geacclimatiseerde afdeling neerzetten. Dat was in de wat rommelige
kantoorruimtes niet eens zo’n makkelijke opdracht. We begonnen met een
kaartcomputer, met ponskaarten. Zo’n ponskaart zette je in een apart programma
en dan kwam er de ene keer een factuur uit en de andere keer een
voorraadoverzicht en dat soort dingen. Maar zoals dat in de automatisering
ging, was het systeem na twee jaar alweer verouderd en begon de echte elektronische
invoering, met weer nieuwe apparatuur.
Merkwaardig was dat er bij het personeel van ons toch hoogtechnische bedrijf
aanvankelijk nogal wat weerstand bestond. Ik herinner me de opmerking van
een afdelingshoofd: “Ja, maar dan kan de directie precies zien wat ik doe!”
Waarop ik zei: “Nee meneer, overigens is dat niet erg, maar u krijgt snellere
service door deze mechanisatie.” Toen we er echt mee startten zei ik: “Een
medewerker die ooit tegen een klant zegt: ‘Ja, maar de computer heeft het niet
goed gedaan’, die gaat helemaal in de fout.” Gelukkig is dit inderdaad nooit
als een argument voor een vertraging of wat dan ook gebruikt.
Het gekke is dat ik met mijn neus op deze computerisering zat, maar zelf toch
altijd digibeet ben gebleven. Nu was het toen ook nog niet zo dat je als directeur
meteen een scherm op je bureau kreeg, dat kwam pas later. Maar ik heb
bij mijn pensionering een fout gemaakt. Ik had een pc moeten nemen en me
moeten inwerken in de digitale wereld. Aan de andere kant, als ik nu zie wat
99
voor rotzooi er is met hackers en dergelijke, ben ik toch maar blij dat ik nog
met papiertjes toe kan. Alles heeft z’n voor- en nadelen.
Directielid
Ik kwam in ’66 bij Econosto en werd in de jaarvergadering van ’69 officieel
tot directielid benoemd, samen met mijn collega Frijlink. Voordat ik mijn
aanstelling kreeg, maakte ik kennis met de vier commissarissen. Bovendien
waren er in die tijd een aantal prioriteitsaandelen uitgezet, waarvan één bij
de Van Ommeren – De Voogt Stichting en één bij Robeco. De bedoeling
daarvan was geweest om via die weg zonder open emissie van aandelen het
kapitaal te vergroten. De houders van die prioriteitsaandelen moesten hun
goedkeuring geven aan het jaarverslag voordat dit gepubliceerd werd. Mijn
eerste taak als directeur was om die heren te bezoeken en zo kwam ik toch
weer bij Van Ommeren terecht. Voor die stichting moest ik naar een broer
van directeur Flip van Ommeren in Wassenaar. Dat was een zuinig manneke.
Hij zei: “Komt u maar om negen uur.” Waarom? Dan hoefde hij geen koffie
meer te schenken.
Leo de Waal als directeur van Econosto.
100
Zakelijke nevenfuncties
Onderwijsraad:
ondervoorzitter, voorzitter afdeling hoger beroepsonderwijs
(ca. 1953-’87)
Een stevige activiteit was mijn lidmaatschap van de Onderwijsraad, waarvan ik later
ondervoorzitter werd, en voorzitter van de afdeling hoger beroepsonderwijs. Als
ondervoorzitter had ik bovendien de morele plicht om af en toe vergaderingen van
andere afdelingen bij te wonen, dikwijls alleen als belangstellende, maar soms ook om
iets in te brengen. Je ziet wat zo’n functie waard is, want dan zei de voorzitter: “Wat een
eer dat u mijn vergadering komt bijwonen.” De Raad was ingedeeld naar soort onderwijs.
Je had onder meer ook afdelingen lager beroepsonderwijs, middenstandsonderwijs
en hoger onderwijs. In die tijd was de Onderwijsraad het eerste adviesorgaan van de
minister van Onderwijs en de regering. Nieuwe wetten en algemene maatregelen van
bestuur begonnen met de zin: ‘Gehoord de Onderwijsraad …’ Niets op dit gebied werd
in de Tweede Kamer of op een andere manier behandeld voordat de Onderwijsraad
advies had uitgebracht. Betrof het wetgeving, dan maakte ook de Raad van State, die
eveneens voor iedere wet een advies moest (en moet, want zo is het nog altijd) uitbrengen,
gebruik van het advies van de Onderwijsraad.
Extra invloed
Mijn commissie telde twaalf leden, de hele Onderwijsraad zo’n zestig. Ik moest in de
functie van ondervoorzitter ook een nieuwe voorzitter selecteren, in overleg met het
ministerie van Onderwijs. Zo heb je dus een merkwaardige extra invloed op het maatschappelijk
leven. Deze functie was wel een extra opdracht voor de postbode. Die
bezorgde heel wat poststukken die ik thuis moest bestuderen. Zeker als voorzitter van
een afdeling moest je de discussies goed kunnen voeren, om doelmatig te kunnen
vergaderen. Ik moest daarom veel lezen. En behalve de afdelingsvergaderingen hadden
we ook het voorzittersoverleg elke twee maanden. Al met al vroeg het nogal wat tijd. De
Onderwijsraad was gevestigd in de Nassaulaan in Den Haag, dus dat betekende voor
mij ook nog reizen.
Ridder van de Nederlandse Leeuw
Ik werd al lid van de Onderwijsraad toen ik nog bij Van Ommeren werkte. Ook Econosto
vond het eigenlijk wel goed om op deze manier wat sociaal-maatschappelijke verantwoordelijkheid
te tonen. Het bedrijf had op dat gebied een reputatie. Uitgezwaaid werd
ik, op verzoek van toenmalig minister Willem Deetman, tijdens de openbare plenaire
vergadering ter gelegenheid van het zeventigjarig bestaan van de Raad. Bij die gelegenheid
reikte de minister mij de eretekenen uit die behoren bij de benoeming tot Ridder in
de Orde van de Nederlandse Leeuw.
101
Zakelijke nevenfuncties
Kamer van Koophandel:
voorzitter Commissie voor het Handelsonderwijs (1955-’88)
In 1972 werd ik lid van de regionale Kamer van Koophandel, waar ik sinds ’55 al voorzitter
van de Commissie voor het Handelsonderwijs was. Toen ik gevraagd werd, overlegde
ik met de toenmalige commissaris Jonker van Econosto. Die zei: “Ja, dat moet je doen,
da’s een hele eer!” Dat soort bijfuncties geven je toch een extra status; ook gaan er
deuren open die anders misschien gesloten blijven. Dus ook voor het bedrijf is het
nuttig dat je zo’n functie bekleedt. Bovendien weet je tijdig wat voor bijzondere plannen
er bij bijvoorbeeld de overheid bestaan, zodat je er makkelijker op kunt inspelen dan
wanneer je niet ingewijd bent. Ik werd in het systeem van de kamer geplaatst als
vertegenwoordiger van de groothandel. Dan word je ook lid van een aantal commissies
en gezien het feit dat ik de voorzittershamer redelijk kon hanteren, werd mij gevraagd
invallend voorzitter te zijn als de reguliere voorzitter niet aanwezig was. Zo heb ik
dikwijls de leiding gehad van commissies waar ik alleen maar lid van was. Bovendien
werd ik voorzitter van de commissie Onderwijszaken van de vereniging van Kamers van
Koophandel.
Voorstellen
De uitwerking van de gedachte van de commissie onderwijszaken lag in handen van de
secretaris, dus een ambtenaar van de Kamer van Koophandel. We deden voorstellen die
in de algemene ledenvergadering verdedigd moesten worden en die nut hadden voor
het bedrijfsleven in Rotterdam. Voorstellen voor cursussen en opleidingen, maar ook
andere dingen. De kamer werd door de overheid ook om advies gevraagd, bijvoorbeeld
over bestemmingsplannen. Dat werd dan in de meest betrokken commissie behandeld.
Zo’n advies moest meestal naar het gemeentebestuur van Rotterdam of Schiedam,
want de kamers van beide steden waren gefuseerd. Bij de onderwijscommissie betrof
het vooral beroepsgericht onderwijs, maar ook over het contact tussen het universitair
onderwijs en het bedrijfsleven. Elke maand was er een ledenvergadering en de commissievergaderingen
waren tussendoor. Dat waren dikwijls vergadering rond lunchtijd, met
een broodje, samen met andere ondernemers uit de commissie. Altijd een boeiend
gezelschap, want het waren over het algemeen mensen met een belangrijke functie, die
wat in te brengen hadden en het hun morele plicht vonden om de kamer te ondersteunen.
102
Dat brengt me op de jeneveranekdote. Die speelde al voor de oorlog. De
oude Flip van Ommeren moest met zijn secretaris, de heer Giessler, naar het
ministerie van Buitenlandse Zaken. Ze hadden afgesproken bij een van de
kroegen op het Plein in Den Haag. Giessler was altijd aan de late kant, maar
Van Ommeren was altijd op tijd en zat al op het terras met een glaasje jenever
voor zich. Komt Giessler een beetje hijgend aangelopen: “Goh, meneer Van
Ommeren, u drinkt toch nooit jenever?” “Nee, maar ‘t is het goedkoopste op
de kaart.” Multimiljonair!
Zijn zoon Flip had ook een beetje zo’n houding. Toen we een keer wat dronken
nadat we waren gaan kijken bij de nieuwbouw van het kantoor waar ik bij
betrokken was, zei hij tegen de tijd dat we moesten afrekenen: “O jee, ik geloof
dat ik de kap van mijn auto heb laten openstaan.” Dan mocht jij afrekenen, zodat
hij niet hoefde te declareren. Terwijl ik van de heer Nijgh, toen ik dus nog
maar net bij Van Ommeren werkte, een cadeautje kreeg voor de geboorte van
dochter Mariëtte. Dat was aardig. Overigens kon ik goed opschieten met zoon
Flip hoor. En hij deed veel goed werk.
Volvo
In mei ’69 werden Frijlink en ik dus officieel directeur. We volgden de heer
Jonker op, die het nog in zijn eentje deed, maar omdat het bedrijf groeide,
deden wij het samen. Frijlink was een man die praktisch zijn hele werkzame
leven al bij Econosto zat. Een heel intelligente man, die zich via de mulo en
alle bekende praktijkdiploma’s uitstekend ontwikkeld had.
In mijn nieuwe functie nam ik de leiding op me van de buitenkantoren: Eindhoven,
Maastricht, Enschede, Groningen, Amsterdam, Antwerpen en Luik.
Allemaal kantoren met een beperkte voorraad, voor levering binnen 24 uur,
wat dikwijls in noodsituaties van belang is. Econosto had veel vaste leveranciers,
die ik als nieuw directielid ook moest bezoeken, dus ik ging die eerste tijd
nogal wat op stap naar het buitenland. Econosto had een vaste regeling voor
auto’s en ik moest mijn Amerikaanse auto inleveren voor een Volvo. Dat merk
ben ik tot op de dag van vandaag trouw gebleven.
Personeelsbeleid
Contact met de werkvloer had ik ook. Ik hield mij in het bijzonder bezig met
de voorraad en het magazijnbeheer, terwijl Frijlink vooral met de leveranciers
contact had. Ik kon bij Econosto ook mijn ervaring bij Van Ommeren met
personeelsbeleid ten nutte maken door een goed salarissysteem in te stellen,
wederom gebaseerd op een eenvoudige functieanalyse met schalen. In november/
december werd overlegd met alle hoofden van dienst over de kwaliteit
van het personeel, welke verhogingen wel of niet van toepassing zouden zijn.
103
Eind 1970 deden we kapitaaluitgifte, waarbij de prioriteitsaandelen vervielen.
Econosto werd officieel op de beurs genoteerd. Vele jaren keerden we goed
dividend uit. Bovendien boden we gelegenheid om dividend in aandelen uitgekeerd
te krijgen, wat fiscaal in vele opzichten gunstig was voor de aandeelhouders.
Daardoor groeide het bedrijfskapitaal nog meer. Een emissie van
aandelen was altijd een groot karwei, want er waren veel voorwaarden aan verbonden
voordat je ze mocht gaan plaatsen. Ik deed grotendeels de begeleiding,
met onze bankier Mees & Hope.
Nieuwbouw
Op zekere dag kwam het aangrenzende pand op de Admiraliteitskade ter
beschikking. Dat betekende nieuwbouw, waarvan ik, net als bij Van Ommeren,
de begeleiding weer op mij nam. Het oude pand werd afgebroken en helemaal
opnieuw opgezet, gedeeltelijk als magazijnvloer, maar ook kantoorruimtes. Dat
alles onder leiding van de huisarchitect Van der Heyden, de zwager van Jonker.
We zetten er een mooi pand neer, met gedeeltelijke airconditioning en flexibele
ruimtes.
Ik ben er altijd nog een beetje trots op dat het goed werd. Nu bestaat het niet
meer. Econosto groeide en het pand aan de Admiraliteitskade werd al in mijn
tijd eigenlijk te klein, ondanks de nieuwbouw. De directeur na ons, ingenieur
N. Kroese, besloot het bedrijf, na onderhandelingen met de gemeente Rotterdam
over nieuwbouwgrond, uiteindelijk naar Capelle aan den IJssel te verhuizen,
waar de grond wel gekocht kon worden, terwijl Rotterdam nog altijd over
erfpacht sprak. Ik zag wel tot mijn genoegen dat, toen de oude panden werden
afgebroken, mijn nieuwbouw lang bleef bestaan, omdat het een stevig karwei
was om kapot te krijgen. Het moest natuurlijk solide zijn vanwege de zware
magazijnvoorraden.
Frijlink
Als ik de auto niet nodig had, ging ik altijd per fiets naar kantoor, onder
bewonderende blikken van het personeel. Maar op een goed moment, ik
denk na het gereedkomen van de nieuwbouw, lunchten we als directie en
onderdirecteuren altijd samen, dus toen ging ik niet meer tussen de middag
met de fiets naar huis om te eten.
Mijn relatie met Frijlink was niet altijd soepel. In het begin maakte ik nogal
wat bezwaren, omdat onze voorganger Jonker, die president-commmissaris was
geworden, apart met Frijlink zat te praten, terwijl hij met beide directeuren
had moeten spreken. Dat vertroebelde de verhoudingen een beetje. Het gekke
was dat Frijlink wel naar me toe kwam als er plannen waren en vroeg of ik er
104
ook achter stond. Meestal waren we het wel eens , onze commerciële gedachten
lagen niet ver uit elkaar. Maar hij kon af en toe moeilijk doen. Soms kreeg hij
ook met de hogere stafleden problemen, omdat hij bepaalde fantasieën doorzette.
Aan de andere kant stelde hij dikwijls briljante ontwikkelingen voor en hij leefde
alleen voor Econosto. Hij was eerst getrouwd met een zuster van de huismeester,
die vrij vroeg stierf. Toen kwam hij met een eenvoudige vrouw aan, die geen
talen sprak en die hij aanvankelijk als huishoudster in dienst nam, maar naderhand
trouwde. Hij zei: “Maken jullie je geen zorgen. Dit is de enige manier voor
mij om als weduwnaar goed verder te kunnen leven, maar deze vrouw zal met
het bedrijf niks te maken hebben.” Maar dat kwam niet uit. Ze deed bijvoorbeeld
toch mee aan representatieve dingen. Dat gaf ook weleens problemen.
Zakelijk blijven
Frijlink onderhandelde nogal solistisch met leveranciers en naar mijn mening
maakte hij de fout om een van de grote Duitse leveranciers, Herr Spindler,
te gaan tutoyeren. Dat is niet de juiste vorm om met Duitse industriëlen om
te gaan, dat moet je uit principe niet doen, want dan raak je in de knoop. Dit
bedrijf leverde overigens een prima soort afsluiters. Op een gegeven moment
kwam er een fabriek in België te koop: de firma Donkers in Leuven, die ook
goede afsluiters maakte, met name voor de waterleiding. De familie wilde ervan
af. Toen werd tegen het principe van Econosto in besloten om die fabriek over
te nemen, in samenwerking met Herr Spindler, die er wel wat in zag om van de
gieterij van Donkers gebruik te maken. Het management van de overgenomen
Belgische fabriek zou in handen komen van de heer Bayer, een onderhorige van
Spindler. Ik dacht: het kan wat zijn, die overname, maar voorzichtig aan. Ook
hier weer: de heer Donkers was niet ‘meneer Donkers’, maar ‘Jean’. Dat is niet
goed, dat ben je niet meer zakelijk en dat moet je met dit soort dingen blijven.
En zoals vaak bij een overname: de fabriek leek een renderende onderneming,
maar in de praktijk was dit niet het geval. Dus dat gaf een heleboel gezeur
over voorschotten en kredieten, totdat na drie jaar het faillissement werd
uitgesproken. Gelukkig kwam Econosto daar redelijk goed doorheen en bleef
de schade bescheiden. Ik ging regelmatig naar België om te controleren wat er
gebeurde en moest ook onderhandelen met de Generale Bank, die een stevig
krediet had gegeven. Een van de oplossingen die we vonden was dat Econosto
meer bestelde dan nodig, maar dat we die afsluiters voor wat betreft het
gietwerk in de fabriek in Leuven lieten liggen, op een eigen, gehuurde berging,
zodat ze wel eigendom van Econosto waren, maar nog niet afgeleverd, nog niet
‘gereed’. Daardoor was er wel reden om weer wat geld naar Leuven te sturen.
Ik vond het een heel mooie oplossing, die als ik het goed heb uit mijn eigen
brein kwam, maar dat weet ik niet zeker.
105
Jubilea
Er waren talloze voorbeelden van familieleden die bij Econosto werkten. De
broertjes Verhoeven onder anderen. De een was procuratiehouder en de ander
chef van een afdeling. En Thermoshuizen, adjunct-directeur, had er ook een
broer werken. Er waren onderling goede verhoudingen, dat was het aardige
van de Econosto-sfeer. Ieder jaar werd er dan ook een groot personeelsfeest
georganiseerd. Ook waren er altijd uitgebreide vieringen van 25-jarige jubilea.
Daar werd veel aandacht aan besteed. Dan mocht de jubilaris zelf wat gasten
uitnodigen voor een diner en de voorkeur voor een restaurant uitspreken.
Alles werd in overleg met hem gedaan. Dan ging ik met mijn vrouw ook naar
zo’n diner. Voor mijn komst al was de gewoonte ingevoerd dat de vrouw van
de jubilaris een gouden speld van Econosto kreeg met de letters van de oude
naam erin. Dat was een aardig idee en de goudenspelddragers kregen ook eens
in het jaar een dinertje aangeboden. Mijn vrouw kreeg die speld ook, hoewel ik
er geen 25 jaar gewerkt heb.
Ik mocht vaak die jubilarissen toespreken, een beetje tegen mijn innerlijke
gevoelens in. Want ik denk, terugkijkend, dat al die jubilea van 25 jaar en
veertig jaar heus niet allemaal goed zijn voor een bedrijf, zeker niet die in de
iets hogere regionen. Dat zorgt eigenlijk voor gebrek aan fantasie. Het hangt
er natuurlijk wel van af welke positie mensen hebben. Van magazijnbeheerders
was het natuurlijk reuzegoed dat ze lang bleven, omdat ze het product goed
kenden. Er werkten ook vrouwen, maar die waren vaak niet getrouwd. Of het
waren kantoormeisjes die getrouwd waren met een van de medewerkers en
dan toch bleven doorwerken. Vrouwelijke jubilarissen heb ik niet meegemaakt.
Pensioen
Ik werkte met plezier bij Econosto tot eind ’81. We hadden afgesproken dat
we als directie met pensioen zouden gaan aan het eind van het jaar waarin ik
62 zou worden. Frijlink had – heel slim – zelf bedacht dat je eventueel nog
een verlenging kon krijgen, want hij was twee jaar ouder dan ik. Ik zei tegen
de commissarissen: “Laat hem niet te lang blijven, want hij helpt niet meer om
de goede sfeer binnen het bedrijf te behouden.” Daar luisterden ze inderdaad
naar. In dat laatste jaar bevorderde ik onder meer nog dat er een nieuwe catalogus
werd gemaakt, waarbij Frijlink als adviseur optrad.
Mijn afscheid viel wat ongelukkig vanwege de begrafenis van Nancy. Er werd
mij ook een afscheidsreceptie aangeboden. Die leverde de nieuwe directeur nog
nuttige nieuwe relaties op. Het was een mooie receptie. Ik had in Rotterdam
door al mijn functies vele relaties en ook een aantal van de leveranciers kwam
braaf afscheid nemen.
106
Zakelijke nevenfuncties
Lona Verpakking:
commissaris (ca. 1975-’83)
Ik was commissaris van Lona Verpakking, een familie-bv. De raad van commissarissen
stond onder voorzitterschap van mijn clubvrind, Siegfried Bernt. Dit commissariaat was
boeiend en redelijk intensief. Je hebt commissariaten met alleen vier bijeenkomsten per
jaar en andere, zoals dit, waar je ook vaak tussendoor bij elkaar moet komen. Er kwam
een moment dat de familie haar aandelen wilde verzilveren, zodat er een overnamekandidaat
gezocht moest worden. Het bedrijf werd overgenomen door een Canadese
papiergigant. Daarna konden we nog twee jaar als commissariaat functioneren. Toen
ontstond er verschil van opvatting met het overnemende bedrijf en traden we af. Die
clubvrind had mij hiervoor gevraagd, omdat ik paste in de vacatureomschrijving. Ik deed
dit een jaar of acht, de eerste zes als als directeur van Econosto. Toen kon ik me door
een chauffeur naar de vergaderingen laten rijden en de stukken nog eens lezen voordat
de vergadering begon. Mijn commissarishonorarium droeg ik natuurlijk keurig af, want
ik deed het in Econosto-tijd.
Stichting ECABO:
mede-oprichter en voorzitter (ca. 1970)
Ik was een van de oprichters van het leerlingenstelsel Stichting ECABO (Economisch
Administratieve Beroeps Opleiding), waarvan ik ook een poos voorzitter was. De
opleiding
vond kantoor in Amersfoort. Het idee ervoor ontstond aan twee kanten: de
onderwijscommissie van de landelijke vereniging van Kamers van Koophandel en de
onderwijscommissie van de Nederlandsche Maatschappij voor Nijverheid en Handel
benaderden elkaar hierover. Ik was ook voorzitter van die onderwijscommissie en ik
geloof dat ik via die weg erbij betrokken raakte. Het was een mooie kans in het kader
van de nieuwe onderwijswetgeving en moet dus ergens in ’70 begonnen zijn. ECABO
is opgericht om jonge mensen in economische en administratieve beroepen een
opleiding te geven. Het was hetzelfde idee dat ik toen bij Van Ommeren in het klein
had gedaan met het opzetten van die praktische kantooropleiding: deelnemers konden
in het leerlingstelsel drie of vier dagen in de week in de praktijk werken en een of twee
dagen op school zitten. Je had middelbaar economisch administratief onderwijs en
die scholen kregen een bepaald programma aangewezen om aan dit leerlingstelsel te
mogen deelnemen.
107
Jong en fit
Ik vond het niet jammer dat mijn werkzame periode afgelopen was. Ik had
zoveel andere dingen in het vooruitzicht, dat ik het eigenlijk wel best vond.
Commissaris hier, bestuurslid daar: is wist dat ik niet in een leegte zou vallen,
maar druk bezig zou blijven met allerlei andere dingen. Ook uit bedrijfsstandpunt
gezien vond ik het verstandig dat je bij een typisch commercieel bedrijf
als Econosto de directie jong en fit ziet te houden. Nieuwe bezems die aan
het vegen gaan, zoals directeuren, kunnen heel inspirerend zijn. Ik heb eraan
meegewerkt dat het reglement op dat punt werd gewijzigd. De directeur na
ons was jonger. Eerst kwam er een directeur die wel een goede vent was, maar
– dat heb ik ook tegen de commissarissen gezegd – naar mijn smaak te oud.
Jammer. Hij hield het ook maar een jaar vol en kreeg toen kanker. Vervolgens
kwam de heer Kroese, die was een stuk jonger. Ik heb hem te weinig meegemaakt
om goed te kunnen beoordelen.
Was voor mij met pensioen gaan geen punt, voor Frijlink was het veel moeilijker.
Die had zich zo vastgebeten in alleen Econosto, dat hij verder eigenlijk
niks had. Bovendien had hij op het laatst een slechte gezondheid, last van zijn
longen. Hij overleefde zijn tweede vrouw nog wel. Hij vertrok eerder dan ik,
nadat hij ruim veertig jaar bij Econosto had gewerkt. Hij was in ’36 of ’37 als
een jochie van nog geen twintig jaar oud door de toenmalige procuratiehouder
Van den Bogerd weggeplukt uit een groentewinkel waar hij werkte, omdat
er geen werk was. Frijlink werkte zo’n beetje vanaf de borstvoeding bij het
bedrijf. Ik was wat mobieler geweest in mijn carrière, dan kost met pensioen
gaan ook wat minder moeite.
Teruggang
Wat mij wel moeite kostte was om geen verdriet te hebben over de latere
teruggang van Econosto. Ik was er toch zo mee verbonden dat het me pijn
deed dat het minder goed ging. Halverwege de jaren ’80 stelden de commissarissen
in hun wijsheid ene heer Hilverda aan als directeur, ‘voorzitter
van de raad van bestuur’ heette dat inmiddels. Hij was een oud Philips-man
en wilde het bedrijf snel laten groeien. Econosto dacht in honderdmiljoenen,
deze man dacht in miljarden. En dat ging niet goed. Er moesten allerlei
bedrijven opgekocht worden om de omzet naar een miljard te brengen. Als
je bedrijven opkoopt, heb je een kans van een op drie dat er een lijk in de kast
zit en dat bleek ook het geval. Bovendien verwatert door opkoop de aandelenwaarde
en het is maar de vraag of het een gezonde manier van groeien is.
Echte groei is autonoom, zonder opkopen. Het scheelde niet veel of Econosto
was failliet gegaan. Dankzij een krachtige gedelegeerd commissaris kon de
zaak worden gered. Ik had toen alleen aandelen en die waren snel in waarde
verminderd in plaats van gestegen.
108
Een tijdlang ging ik nog naar de jaarvergaderingen, die er nu niet meer zijn.
Daar heb ik, achteraf, te lang mijn mond gehouden toen die man van Philips
het bedrijf zo wilde laten groeien, want het is een goede traditie dat je je als
oud-directeur tijdens aandeelhoudersvergaderingen een beetje gedeisd houdt.
Ik had ertegen moeten protesteren, maar ben te bescheiden geweest. Daar heb
ik spijt van. Pas toen er fikse ruzies waren, heb ik mijn tong geroerd, maar
ik had het moeten proberen te voorkomen. Ik had moeten laten horen dat ik
verbaasd was over de, laat ik zeggen, hoogmoedswaanzin die er heerste. Al
die mooie overnames werden ook allemaal afgebroken, de bedrijven gedeeltelijk
met verlies weer afgestoten. Nu is Econosto niet meer zelfstandig, maar
overgenomen door Eriks uit Alkmaar, een aanverwant bedrijf, en Eriks is weer
overgenomen door de SHV. Ik heb ik er niets meer mee te maken, heb geen
contact meer met wie dan ook van Econosto N.V. Alleen krijg ik nog een stuk
van mijn pensioen rechtstreeks van het bedrijf.
109
8. Een nieuwe fase van ons leven brak aan
Ik viel niet in een gat toen ik met pensioen ging. Dat kwam ten eerste omdat
we een mooie overgang hadden doordat mijn vrouw en ik voor lange tijd naar
onze dochter en haar gezin in Australië gingen, en ten tweede omdat ik veel
nevenfuncties bekleedde. Op de dag na mijn afscheidsreceptie verhuisden we
naar Rhoon.
Aantrekkelijke bungalow
We hadden gezocht naar een kleiner huis, bij voorkeur een bungalowtype. Bij
de Kamer van Koophandel zat ik naast een aannemer. ik vroeg hem: “Kun je mij
adviseren iets bungalowachtigs te vinden, liefst in Rotterdam?” Hij antwoordde:
“Luister, wij zijn net bezig met een nieuwbouwplan in Rhoon bestaande uit
aantrekkelijke bungalows. Ga daar eens kijken.” Ze waren inderdaad aantrekkelijk,
maar boven mijn prik geprijsd. We keken verder, onder meer in Capelle
aan den IJssel. Dat waren wel aardige appartementen, maar in een groter gebouw.
We waren nog altijd zoekende toen ik opeens een telefoontje kreeg van
mijn zoon Jeroen uit Zutphen: “Er heeft een advertentie gestaan dat de prijzen
van die bungalows in Rhoon aanzienlijk zijn verlaagd.” De aannemer was
verplicht ze voor het eind van het jaar verkocht te hebben. Het bleek om een
stevige verlaging te gaan. Ik zei tegen de makelaar: “Als ik nu zelf mijn huis in
Rotterdam verkoop, kan ik dan nóg een reductie krijgen?” Want hij bood een
garantie voor de verkoop van het oude huis. En ziet: er kwam een heel flinke
reductie bij en toen werd de prijs ineens aantrekkelijk.
Vervolgens gingen we kijken welke bungalow we precies zouden nemen. Mede
op advies van het makelaarskantoor kwamen we terecht op de Bachlaan 12.
Een pleintje met vier bungalows, waarvan twee een tuin aan de pleinkant
hadden en twee een tuin aan de zuidkant, langs de sloot. Van die twee laatste
hebben we er een genomen, met een mooi achteruitzicht op een grote tuin. Het
was een zogeheten geschakelde bungalow, met een bovenverdieping en een in
principe vrij kleine tuin. Maar met die sloot achter ons was er ook achter de
garage gelegenheid tot tuinieren. Het was een aardig wijkje: de muziekwijk.
Hij werd net vol gezet met nieuwe huizen, voor het merendeel bungalows en
een aantal appartementsgebouwen. Het zag er heel netjes uit.
Verhuizing naar Rhoon
De verhuizing had nog een vervelend staartje. Het was een felle winter en ons
oude huis zou pas op 4 januari opgeleverd worden. Daarom had ik de verwarming
laten branden, maar niet hard genoeg. Toen ik ter controle nog eens naar
110
Privé-nevenfuncties
Universiteitsraad:
lid (ca. 1980-’95)
In de wet die de bestuurlijke inrichting van de universiteiten regelde, was opgenomen
dat er een Universiteitsraad moest zijn, vergelijkbaar met de ondernemingsraad in
het bedrijfsleven. Daarin hadden zitting vertegenwoordigers van het wetenschappelijk
personeel, het ondersteunend personeel, studenten en een aantal zogeheten buitenuniversitaire
leden, kortweg ‘bullen’, die het contact met de maatschappij moesten
helpen bevorderen. Het Trustfonds van de universiteit had het recht om aanvankelijk
zes, later drie bullen voor te dragen, waarna de minister hen benoemde. Ik werd gevraagd
bul te worden van de raad en hield dat twee of drie keer via een herbenoeming
vol. Voorzitter van de Universiteitsraad toen ik startte was mr. R. Felix, advocaat in
Rotterdam. Naderhand kwam het in handen van mr. Patoir, secretaris van het bureau
van de universiteit, en ten slotte van de heer Fobbe, wetenschappelijk medewerker van
de sociale faculteit. Het college van bestuur moest in die raad zijn beleidsplannen
verdedigen en ook zorgen voor de nodige onderbouwende stukken, ter voorbereiding
van de vergaderingen.
Gezellige vergaderdrukte
Voor verschillende onderwerpen was de Universiteitsraad verdeeld in commissies.
Ik werd voorzitter van de commissie bouwbeleid – niet onlogisch als bouwpastoor
van twee bedrijven – en een of twee andere commissies. Dat gaf weer wat gezellige
vergaderdrukte. De commissies vergaderden meestal in lunchtijd, de raad vergaderde
’s avonds. Het begon met een uur vergaderen, daarna was er tijd voor een avondmaaltijd
in een van de horeca-afdelingen van de universiteit: Woudenstein. Wij hielden als
bullen wel vooroverleg voor een vergadering, maar dat lukte lang niet altijd, omdat
mensen van buiten Rotterdam moesten komen. Toen ik de voorzitter van de bullenfractie
opvolgde, raakte ik ook betrokken bij het vooroverleg met de voorzitters van de
andere fracties. Dat gaf extra vergaderingen, maar ook extra contacten. Als geheel kun
je zeggen dat het een heel interessante tijd was. Ik stopte ermee omdat wettelijk de
positie van de bullen werd veranderd. Namens het trustfonds werd mij en mijn vrouw
een afscheidspartijtje aangeboden in Bergen op Zoom, waar de toenmalige voorzitter
van het fonds burgemeester was.
111
dat huis toe ging, zag ik dat er
lekkage was. Dat kwam vermoedelijk
doordat de afvoer van het dak
bevroren was, doordat het huis niet
meer goed verwarmd werd en er
geen warmte-uitstraling meer was.
Ik zei tegen de koper: “Maak je
geen zorgen, ik heb een dakverzekering.
Die heb ik gewaarschuwd
en die zal het wel voor je opknappen.”
Kort daarop vertrokken wij
richting Australie. Na twee maanden
kwamen we terug van vakantie
en wat lag er bij de post? Mijn
brief aan de dakverzekeraar retour:
‘Geadresseerde is failliet’. Er was
nog een raar probleem. Ik had aan
de koper toestemming gegeven om,
ik meen, vijftienduizend gulden van de koopsom pas in februari te betalen.
Maar toen we terugkwamen, waren ook die vijftien mille niet betaald! “Ja”,
zei de notaris, ”die waterschade is toch wat groter, dus ik heb dat bedrag maar
achtergehouden.” Ik zei: “Over de waterschade wil ik best praten, maar niet
voordat ik dat bedrag op mijn rekening heb. En krijg ik het niet onmiddellijk,
dan ga ik naar de broederschap, want schuldvergelijking is niet toegestaan.”
Uiteindelijk viel de schade toch mee en ik heb een kleine vergoeding gegeven.
Het was tenslotte deels mijn fout, want ik was nog beheerder van dat huis.
Verder liep de verhuizing naar wens. We kwamen terug van vakantie in een
huis dat praktisch nog niet ingericht was. Mede omdat ik boekenrekken had
besteld als aanvulling op een eerdere bestelling, ervan uitgaande dat de aanbetaling
van die eerdere bestelling wel voldoende was. Maar nee, de heren
wensten pas te leveren na een nieuwe aanbetaling. Ik had gedacht dat ik zo die
nieuwe kasten in elkaar kon zetten en de boeken opruimen, maar moest nog
een week wachten.
Rustig ontbijten
Na onze reis naar Australië in de eerste maanden van ’82, begon het reguliere
leven vanuit Rhoon. Een andere fase van ons leven brak aan. Feitelijk was door
mijn nevenfuncties mijn agenda nog altijd zwaar gevuld. Het enige echte verschil
was dat ik wat later kon beginnen, dus rustig kon ontbijten met warme
thee in plaats van een bekertje koude melk. Ik moest ook een auto uitzoeken.
Dat werd een Volvo 440, een type dat ik heel lang, zij het uiteraard in steeds
Leo in de Rhoonse grienden.
112
Zakelijke nevenfuncties
Eigenaarsmaatschappij Hilton Hotel:
directeur (ca. 1982-’89)
Rond 1982 werd ik gevraagd directeur te worden van de nv die het Hilton-gebouw in
eigendom had en verhuurde aan de Hilton Hotel-organisatie. De nv was opgericht
door een aantal Rotterdamse bedrijven, om te voorzien in de behoefte aan eersteklas
hotelaccommodatie. Door het bombardement waren de beste hotels van Rotterdam
verloren gegaan. Deze nv was voor haar inkomsten afhankelijk van een percentage van
de omzet van het hotelbedrijf. In de periode dat ik startte, was de omzet nog niet al
te hoog, zodat er geen dividend kon worden uitgekeerd. Het hotel stond op erfpacht,
met een speciale conditie aangaande het tarief zolang het een horecabedrijf betrof.
Zou het bijvoorbeeld industrie of kantoren worden, dan ging de erfpacht omhoog. Dat
had de gemeente zo geregeld, omdat ze ook graag zag dat er een Hilton Hotel kwam.
Bij de bouw van het Hilton Hotel in 1958 was meneer Philip van Ommeren een van de
bouwcommissarissen. Tijdens de bouw van het nieuwe kantoor van Van Ommeren,
ben ik met hem weleens op het Weena gaan kijken wat daar gebeurde. Dus ik kende
het hotel al een beetje voordat ik er als directeur van de eigenaarsmaatschappij ging
optreden.
De keuken beoordelen
Dit directeurschap was geen zware taak. Een boekhouder hield alles netjes bij. Ik heb er
wat meer aandacht aan kunnen besteden dan mijn voorganger, om te bevorderen dat
de omzet van Hilton tot het uiterste opgevoerd kon worden. Ik voerde goed overleg met
de toenmalige directeur van het hotelbedrijf. Na een paar jaar vertrok hij. Hij ging eerst
naar Duitsland en werd vervolgens directeur van het Hilton Hotel in Tel Aviv, waar ik
hem weer ontmoette toen ik met mijn vrouw als toerist naar Israël ging. We hebben
daar nog gezellig met hem gegeten. Als directeur kreeg ik, wanneer ik in het Hilton
ging eten, de maaltijd voor de halve prijs. Ze vonden het leuk als je dat deed, dan kon
je meteen de keuken beoordelen. Ik profiteerde ook door er een feest te geven. De
toenmalige directeur adviseerde: “Als je nou een lunch organiseert, moet je er eens iets
van muziek bij doen.” Ik vond een amateur-kamermuziekgezelschap bereid om in de
Rotterdamzaal een concert te geven. Dat viel erg in de smaak bij de gasten. Daarna
een goede lunch. Iets dergelijks organiseerde ik twee jaar later nog eens, maar toen
om onze veertigste trouwdag te vieren. Voorafgaand aan een receptie in het Hilton
boden wij onze familie en vrienden een bustocht aan door Rotterdamse gebieden die
gerenoveerd waren na de oorlog. Het was zelfs voor Rotterdammers een verrassende
ervaring. Ze stonden versteld hoe aardig die wijken waren geworden, zoals de buurt
tussen de Kruiskade en Weena, die alleraardigst was vernieuwd. Ik had dit soort
inzichten al dankzij mijn betrokkenheid bij de Kamer van Koophandel, daardoor kon ik
zoiets organiseren.
113
Zakelijke nevenfuncties
Coöperatief Centraal Bode- en Bestelhuis:
president-commissaris (ca. 1982-’91)
Het CCBB waren samenwerkende vrachtrijders, die op instigatie van de Kamer van
Koophandel bij elkaar waren gekomen om een nieuw bodecentrum in de stad te krijgen.
Tegen de tijd dat ik president-commissaris werd, hadden ze een loods in de Spaanse
Polder. Die was te klein geworden en ze hadden nieuwbouwplannen. Een van mijn
opdrachten was om de coöperatie om te zetten in een bv, waarbij de oorspronkelijke
coöperanten wel aandeelhouder werden, maar niet meer rechtstreeks bestuurder waren.
Dat was voor sommigen een beetje het einde van de les. Zij traden uit en moesten
volgens de bv-voorschriften hun aandelen eerst aanbieden aan de medeaandeelhouders.
Die waren meestal wel geïnteresseerd. Ik nam er ook een paar. Ik heb ook nog ongeveer
een halfjaar als gedelegeerd commissaris de leiding waargenomen van het bedrijf, toen
directeur Groote door een hartaanval tijdelijk uitviel.
Ruys-Kramers Handelsvereniging:
commissaris (ca. 1983-’88)
Na mijn pensionering was ik commissaris bij de Ruys-Kramers Handelsvereniging,
net ontstaan uit de fusie tussen Ruys en Kramers. Kramers was onder meer actief in
de informatica voor kantoren en Ruys Handelsvereniging deed in gemoderniseerde
kantoormachines, bijvoorbeeld om te frankeren, enveloppen te vullen en te sluiten
enzovoort. Twee interessante bedrijven met een heel verschillende mentaliteit, die
moesten leren samenwerken. Dat was voor de commissarissen ook wel eens een
probleem. Er waren commissarissen uit de oude club van zowel het ene als het andere
bedrijf en die vonden allemaal dat hun visie de beste was. Daar zat ik dan als neutrale
commissaris tussen. Na een jaar of vijf moest er een nieuwe rechtsvorm gekozen
worden, omdat Ruys Handelsvereniging een beleggings-nv was met als enige belegging
Ruys-Kramers Handelsvereniging. Dat mocht niet meer. De nv werd gedeeltelijk
overgenomen door de Nationale Investeringsbank.
114
nieuwere versies, heb gehad. Mijn vrouw had een klein Fiatje. Ik was ook een
regelmatige gebruiker van de metro als ik vergaderde in de stad.
Het leven in Rhoon was aantrekkelijk. We waren met ons tweeën. De kunst
was om van een betrekkelijk kleine tuin iets te maken, daar stopten we samen
veel energie in. We vergrootten de tuin door de sloothelling, achter het eigenlijke
woongedeelte, op te hogen en langs het achterpad de glooiing te handhaven.
Alles bij elkaar gaf dat een mooie winst aan tuinoppervlakte. De tuin was iets
kleiner dan die in Kralingen: zeven bij zeven meter oorspronkelijk, maar doordat
we dat achterstuk erbij namen – je kocht ook de halve sloot erbij – had je
meer speling. De eerste aanleg lieten we uitvoeren. Van de kinderen kregen we
een appelboom. En even later via de schoonouders van jongste zoon Jeroen een
rode bes en een frambozenstruik, zodat we ook wat vruchten in de tuin hadden.
Ik zette druiven tegen de achtergevel aan. Het was een feest om in het voorjaar
al de eerste bloemen in je tuin te zien opkomen.
Actief
Dat pleintje was ook aantrekkelijk. We hadden goed contact met onze drie
buren. Een van hen, die er al woonde toen wij kwamen, was een oud-Shellman.
Hij was erg behulpzaam, had twee rechterhanden.
Wat het dagelijks leven betreft, was ik eerst nog betrekkelijk druk met mijn
baantjes. Ook bracht ik menig uurtje in de tuin door. Mijn Jopie ging nogal
eens bridgen bij Rotterdamse vriendinnen, dus overdag had zij ook vaak wat
te doen. Verder kregen we regelmatig de kinderen en kleinkinderen op bezoek.
Al onze kinderen waren volwassen en hadden het ouderlijk huis verlaten. Ik
vond dat helemaal geen punt, omdat ik toch nog in verschillende opzichten
actief was.
We deden veel aan verkenning van de omgeving. Je had er de Rhoonse Grienden,
waar we heerlijk konden wandelen. Naast de grienden was een jachthaven en
even daarvoor lag een uitspanning waar je ook heel behoorlijk kon eten. Daar
gingen we weleens, na een wandeling naar de grienden, een kopje koffie drinken
en soms een lunchhapje nemen. We kregen de indruk dat het een redelijk goed
restaurant was.
Driemaal goud
Het was dan ook niet onlogisch dat, toen er in ’95 driemaal goud gevierd moest
worden, wij voorstelden het in dit restaurant te organiseren. Het ging om ons
eigen huwelijk, dat van mijn zwager Tonnie met Miek en van mijn schoonzuster
Rietje met Tom. Tonnie en Miek waren op 15 augustus getrouwd, Tom
en Rietje rond 10 september en wij op 6 oktober. Dus telkens zo’n drie weken
115
ertussen. Ik meen dat Tom het idee had om die gouden bruiloften samen te
vieren en er een groot feest van te maken. Op ons voorstel werd een feestelijke
lunch georganiseerd in ons Rhoonse etablissement. Ik stelde voor dat de oudste
zonen van de jubilerende echtparen het feest verder zouden organiseren.
Zulks gebeurde. Uiteraard waren er vele pogingen tot liedjes, die het ene gezin
beter afgingen dan het andere. Het weer was gelukkig gunstig. Het was ergens
in september, in elk geval vóór onze huwelijksdag. Er was een gezelschap van
zestig mensen.
Aansluitend gingen we met de hele familie naar bungalowpark Zeelandia,
waar we een lang weekend doorbrachten. Extra gezellig was dat ook Tonnie,
Miek en kinderen eraan meededen. De Australische familie was vertegenwoordigd
door Mariëtte, Michael van dertien en de tienjarige Julianne, die
nog school konden missen. Ze logeerden bij ons thuis. Haar man en de andere
twee kinderen waren er niet, die oudste twee jongens zaten dichter tegen het
eindexamen aan en konden daardoor niet weg. Hans zat toen nog niet permanent
in Colombia. Hij was nog directeur bij Philip Morris en woonde bij
Roosendaal. Wij konden ons gouden huwelijk dus bijna voltallig vieren.
Leo en Jopie proosten tijdens hun gouden bruiloftsfeest in 1995.
116
Privé-nevenfuncties
Vereniging Waakt en Weegt:
voorzitter (1980)
Na mijn kerkenraad-tijd, ik denk in 1980, wond ik mij nogal op over de verklaring van
de commissie Tot de zaken dat de uitspraak van het Interkerkelijk Vredesberaad, het
IKV, ‘Kernwapens de wereld uit, te beginnen uit Nederland’ ondersteuning verdiende.
De remonstranten gingen min of meer staan achter die uitspraak. Dat leidde tot de
oprichting van de vereniging Waakt en Weegt, waar ik me bij heb aangesloten en na
twee jaar voorzitter van ben geworden. Wij zeiden: “Nee, die uitspraak is verkeerd én het
is niet de taak van de commissie Tot de zaken om zich met dit soort politieke complicaties
te bemoeien.” Waakt en Weegt bestond uit een groep ongeruste remonstranten,
met een legerpredikant als adviseur, die dus ook de gevaren van zo´n uitspraak onderkende.
We gaven een kwartaalblad uit, waarin we onder meer een overweging schreven.
Ik deed dat twee keer per jaar en een van de andere bestuursleden de andere twee keer.
Op zeker moment zagen we de belangstelling teruglopen, er kwamen geen leden meer
bij, dus hieven we na vijftien jaar de zaak op, nadat er inmiddels binnen de Broederschap
erkenning was van de juistheid van het standpunt van Waakt en weegt. We
hadden in feite ons doel bereikt, te meer omdat we nadrukkelijk trachtten te voorkomen
dat mensen om deze verkeerde stellingname hun lidmaatschap zouden opgeven.
Gemeentepolitiek:
commissielid kandidaatsstelling VVD Rhoon (1998)
In Rhoon raakte ik al vrij snel betrokken bij de gemeentepolitiek, door actief te zijn in
de VVD-afdeling. Bestuurslid ben ik nooit geworden, daar had ik geen zin meer in.
Maar omdat ik de vergaderingen van de VVD-afdeling regelmatig bijwoonde en mijn
mond niet altijd hield, werd mij gevraagd de commissie kandidaatsstelling voor de
gemeenteraadsverkiezingen te leiden, ik denk in 1998. Er waren nogal wat tegengestelde
opvattingen over de meest geschikte lijsttrekker. Ik werd ondersteund door de heer
drs. Klein Molencamp, secretaris bij de Kamer van Koophandel, die ook in Rhoon
woonde. We pleegden nogal wat onderling overleg om dit in goede banen te leiden.
Rhoon betekende nog een beetje dorpspolitiek, hoewel het een sterk groeiende
gemeente werd, mede door de fusie met Poortugaal tot de gemeente Albrandswaard.
117
Hans
Hans was na zijn studie in Wageningen en de Hogere Economische School in
dienst gekomen van tabakshandel Van Beek, voor uitzending naar Colombia in
1969. Daar ging hij alleen heen, om eerst huisvesting te regelen in het mooie
stadje Cartagena aan de Caribische kust. Hij huurde er een huis en een paar
maanden na zijn uitzending kon zijn vrouw Meinke met peuter Barbara per
schip naar Cartagena komen. Uit dit vreugdevolle samenzijn volgde in juli
’70 de geboorte van zoon Remco, die nu een Colombiaans én een Nederlands
paspoort heeft.
Hans heeft een heel bijzondere hobby in het veeteeltbedrijf: steeds betere
melkkoeien fokken in de tropen. Hij begon hiermee op kleine schaal tijdens
zijn werk bij Van Beek. Toen kon hij in Colombia een stuk weidegrond kopen,
medegefinancierd met een lening die ik hem verstrekte. Hij bouwde op dat
landgoed zelfs een huis, hoewel hij altijd een plek in Cartagena heeft behouden,
eerst een huis, naderhand een appartement. Zijn werk bij Van Beek eindigde in
1980, maar hij startte kort daarop in een veelbelovende functie bij Philip Morris.
Hij kwam terug naar Nederland en ging met zijn gezin wonen in Wouw bij
Roosendaal, dichtbij Bergen op Zoom, waar Philip Morris een fabriek aan het
inrichten was. In zijn vakantie snelde hij naar Colombia om te kijken hoe zijn
koeien erbij stonden.
Oudste kleinkinderen Remco en Barbara.
118
Zakelijke nevenfuncties
Stichting Job Creation Project:
voorzitter (1986-’95)
Eind 1985 werd mij gevraagd het voorzitterschap van de nieuwe stichting Rotterdam
Rijnmond Job Creation Project op me te nemen. In die stichting werkten de gemeente
en het bedrijfsleven samen om startende ondernemers te ondersteunen. Hiertoe werd
een overeenkomst gesloten met Job Creation B.V. Deze onderneming was al twee jaar
eerder, in opdracht van de gemeente, een succesvol project gestart. De nieuwe stichting
was een mooi voorbeeld van het toen nog vrij nieuwe begrip ‘public-private partnership’.
De bv Job Creation vormde een team van jonge bedrijfskundigen die startende ondernemers
begeleidden. De stichting betaalde de bv een afgesproken bedrag voor een periode
van drie jaar, waarvoor de bv een afgesproken aantal arbeidsplaatsen moest creëren.
Het stichtingsbestuur bestond uit vertegenwoordigers van bedrijven die in zo’n project
geld wilden steken, net als de gemeente. Shell was bijvoorbeeld een van de grote
subsidiegevers, die had een speciaal fonds voor maatschappelijk werk ten bate van
ontwikkeling in het bedrijfsleven. De betrokken afdeling kende een aparte directrice, die
met veel verstand van zaken kon meepraten. Job Creation had een betrekkelijk kleine
staf, bestaande uit jong afgestudeerden en hbo’ers of economen, die dit een paar jaar
deden en er een mooie ervaring aan overhielden, die ze later weer in ander bedrijven
konden toepassen. De staf legde iedere maand aan het dagelijks bestuur plannen voor.
Het dagelijks bestuur beoordeelde of die plannen voldoende kans van slagen zouden
hebben om ermee door te gaan. Het waren leuke vergaderingen. Eens in de drie
maanden kwamen alle vertegenwoordigers bij elkaar om het beleid te beoordelen.
Succesvolle jonge ondernemers
Het succes van Job Creation was redelijk groot, zodat er na de eerste opdracht een
tweede en een derde van min of meer dezelfde club uit ging. Ik was er een jaar of
negen zoet mee. Tijdens die jaren heb ik heel wat starters zien passeren, ook mensen
die geen succes hadden. Dat was niet erg, want aan de andere kant werden verschillende
succesvolle jonge ondernemers in het zadel geholpen. Een heel aardig project, maar
ook wel een beetje een wonder dat er nog zoveel mee bereikt werd, want er zijn heel wat
jonge startertjes die veel fantasie maar weinig kwaliteit hebben. Maar er zijn initiatieven
uit voortgekomen die nog altijd bestaan, zoals het Rotterdamse blad ‘UIT’. Het was een
behoorlijk drukke activiteit. Ik woonde niet alleen de vergaderingen bij, maar ging ook
weleens naar het bureau om te laten merken dat er belangstelling van hogerhand was.
Het was op zichzelf een heel aardig systeem. Helaas ging het een beetje als een nachtkaars
uit. Er kwamen langzaamaan andere organisaties die aankomende ondernemers
wilden helpen. Die maakten Job Creation overbodig.
119
Zakelijke nevenfuncties
Uit een interview voor de publicatie ‘10 jaar Rijnmond Job Creation Project’
(Rotterdam, 20 juni 1994):
“Het public private partnership was een zeer aansprekende gedachte voor me. Het
paste bij het karakter van Rotterdam én bij mijn eigen levensbeschouwing. Die vraagt
erom dat je belangstelling hebt voor meer dingen dan je eigen terreintje. Bovendien
begon de werkloosheid in die tijd een zeer ernstig probleem te worden. Overheid en
bedrijfsleven konden daarvan door middel van een ppp gezamenlijk iets doen. Ook de
doelgroepen van het project spraken me bijzonder aan, vooral de verzelfstandigingen
en spin-offs. In mijn eigen bedrijf had ik daarmee al te maken gehad. En (lachend) de
laatste reden waarom ik het voorzitterschap ambieerde, was omdat ik het óók leuk
vind me ergens mee te bemoeien.”
“Ik heb niet alleen de maandelijkse vergaderingen bezocht, maar ook tal van andere
evenementen. Er zijn regelmatig tussentijdse besprekingen geweest om het tempo erin
te houden en de zaak hier en daar een duwtje in de goede richting te geven. Daarmee
bleef ook de belangstelling van de participanten voor het project op peil. En ik vermoed
dat ook de mensen van Job Creation daaraan steun hebben ontleend. (…) We keken
naar reële kansen, gezonde financieringsmogelijkheden en de behoefte van de markt.
We letten erop dat het team contact opnam met relevante mensen uit de participantengroep.
En ten slotte voerden we regelmatig discussies of het plan binnen de projectdoelstellingen
paste en of er sprake was van blijvende werkgelegenheid.”
Hoewel het nauwelijks meetbaar is,
gelooft De Waal dat de projecten
behalve werkgelegenheid ook
een toename aan economische
activiteiten hebben meegebracht.
“Bovendien is het buitengewoon
verheugend dat je nieuwe arbeidsplaatsen
kunt scheppen tegen
heel redelijke kosten.”
Leonard de Waal bij aanvang
Stichting Job Creation Project lV.
120
Aantrekkelijk bod
Na enkele jaren deed de Colombiaanse overheidscementfabriek een heel aantrekkelijk
bod op zijn landgoed, omdat er mergel gewonnen kon worden. Dus
de grondwaarde veranderde van landbouwgrond in mijnbouwgrond en met de
winst uit die transactie kon Hans in ’98 een veel beter terrein kopen en naar
eigen inzicht indelen – weliswaar in dezelfde provincie, maar wat lager gelegen
en daardoor vochtiger. Hij herbeboste en herbeplantte het zodanig dat hij
er een gemengd veeteeltbedrijf op kon ontwikkelen en kon doorgaan met het
mengen van veesoorten om te proberen een betere melkproductie per koe te
krijgen. Daar slaagde hij goed genoeg in om uitgenodigd te worden voor het
lidmaatschap van de Colombiaanse landbouwcoöperatie. Bovendien komen nu
af en toe studenten met hun hoogleraar van de agrarische faculteit uit Cartegena
op bezoek om te zien hoe hij daar met andere technieken dan gebruikelijk
een beter resultaat weet te krijgen. Hans heeft behalve de twee kinderen uit
zijn eerste ook twee kinderen uit zijn tweede huwelijk, met Marguerita: Erica
en Natalia, die hem inmiddels ook al grootvader hebben gemaakt.
Colombia
Jopie en ik bezochten Hans en zijn gezin drie keer in Colombia. Onze eerste
transatlantische reis was in ’72 Die maakten Jopie en ik samen, zonder kinderen.
Heel spannend om in een tropisch land terecht te komen. Voor mij nieuw,
voor Jopie een tweede ervaring, want zij had tot haar negende in Batavia
gewoond, waar haar vader advocaat was. Hans moest veel het achterland in
om tabak te kopen van, meestal kleine, boeren. Wij gingen enkele keren mee.
Aansluitend reisden wij naar Curaçao voor een bezoek aan de directeur van de
Curaçaose dokmaatschappij, een grote klant van Econosto. Onze komst werd
zeer gewaardeerd. Wij genoten ook van het mooie eiland.
Zo´n reis naar Colombia herhaalden we twee keer. Eenmaal vlogen we via
New York en Canada – Toronto – waar mijn tante Winny, van oom Frits,
woonde met haar dochter Caty, weduwe van neef Fred Harding, die ons in ’45
had bezocht. De laatste reis was eind ’78, toen de koperen bruiloft van Hans en
Meinke, ondanks de inmiddels wankele toestand van hun huwelijk, toch nog
groots gevierd werd. Leo en Charlotte hielden ons op de heenreis gezelschap.
Op de terugweg reisden wij met ons tweeën via Mexico om Gijs te bezoeken
en te zien hoe het kaasfabriekje erbij stond dat hij daar had opgezet. Gijs liet ons
toen de mooie kanten van Mexico zien, zoals enkele ruïnes van de Maya-cultuur.
Dat was zo boeiend, dat wij in ’81 nogmaals naar Mexico gingen, met Gijs en
Jeroen, om nog wat meer van de Maya-cultuur te zien. Het was heerlijk dat
Gijs goed Spaans sprak, althans latino-Spaans, geen hoog-Spaans.
121
Mooi landgoed
In 2008 ging ik nog solistisch naar Colombia, na Hans’ iets vervroegde pensionering
bij Philip Morris. Althans ik reisde met hulp van kleindochter Natalia,
van Hans, die toen in Nederland was. We hadden in Madrid de eerste overstap
en in Bogotá de tweede. Zij was toen net in verwachting geraakt en begeleidde
mij met haar Spaans gezellig en goed. Ze vond het heerlijk om haar ouders
weer te zien. Hans en Marguerita woonden in een flatgebouw aan de baai van
Cartagena. Op de dag dat ik aankwam legde daar het fregat Van Speijk aan,
blijkbaar onder het motto dat Nederlanders overal goed beschermd moeten
worden!
Tijdens deze reis was ik in de gelegenheid om de nieuwe boerderij van Hans
te ‘inspecteren’, zoals hij dat noemde. Hij had er een mooi landgoed, ‘Finca los
Campanos’, van 200 hectaren van gemaakt. Ik had veel bewondering voor zijn
inzicht en energie en beleefde een paar heel gezellige weken. Bij de viering
van mijn verjaardag het jaar erop, organiseerde ik voor mijn huisgenoten en
anderen een avond, waarop Hans het verhaal over zijn melkveehouderij met
vele dia’s begeleid wilde houden. Al deze steedse toehoorders waren onder de
indruk van dit agrarische verhaal.
Leo de Waal rijdt op een ezelskar op het landgoed van Hans in Colombia.
122
Leo en Mariëtte
Leo heeft waarschijnlijk de beste hersenen van onze kinderen, maar weigerde
die in zijn schooltijd goed te gebruiken. Na zijn studietijd moest hij uiteindelijk
opkomen voor zijn militaire dienstplicht in Amersfoort, bij de school voor
de reserveofficieren cavalerie. Cavaleristen waren toen al lang geen ruiters
meer, maar tankbestuurders. Nadat hij tweede luitenant was geworden en zich
verloofd had met Charlotte Bruens, werd hij door bemiddeling van de familie
Bruens geplaatst bij de toenmalige Middenstandsbank. Dat lag hem kennelijk,
want het liep allemaal goed. Hij moest kleine bankcursussen volgen en draaide
daar zijn hand niet voor om. Kort na zijn huwelijk stapte hij over naar Mees
& Hope in Heerlen, Limburg, waar ze een huis konden vinden in Hulsberg.
Daar werd ook hun eerste dochter geboren, in het ziekenhuis van Heerlen. Leo
heeft verder zijn hele carrière in de financiële wereld gemaakt. Hij woont nu in
Luxemburg, waar hij werkte voor Merrill Lynch, een Amerikaanse bank voor
beleggingen. Hij doet, nadat hij zich een jaar of tien geleden had laten uitkopen,
voor verschillende maatschappijen managementadministraties. Leo heeft
drie kinderen.
Mariëtte haalde het eindexamen op het Erasmiaans gymnasium in 1968 met
mooie cijfers, ondanks tonsillectomie en de ziekte van Pfeiffer in haar laatste
jaar. Daarna haalde ze in Leiden vervroegd, als een van de eersten van haar
jaar, haar meestertitel en vertrok voor vijf maanden naar Hans en zijn gezin in
Colombia. Na terugkomst kwam ze voor de driejarige stageperiode terecht bij
advocatenkantoor De Jonge in Zutphen. Daar werd ze goed opgevangen door
de vennoot Hank de Jonge en werd er vrijwel kind aan huis. Na een driejarige
opleiding en beëdiging als advocaat, kon zij een beurs krijgen voor een studie
die wellicht tot een promotieonderzoek kon leiden in Australië of Nieuw-Zeeland.
Voor beide kwam ze in aanmerking. Ze koos voor Australië en kwam in
Melbourne terecht. Haar studievriendin Mignon was daar een paar jaar eerder
geweest en had mooie verhalen verteld. Toevallig ontmoette zij op een conferentie
in de bibliotheek van het gerechtshof een barrister. Deze barrister, mijn
latere schoonzoon Richard Read, wist mijn dochter in te palmen. Ze kwam
nog wel even hier voor haar trouwpartij, in januari1977 in Rhoon, maar bleef
verder in Australië wonen met haar barrister. Richard werd in 1979 aangesteld
tot prosecutor for the Queen, oftewel officier van justitie.
Mariëtte moest haar gehele rechtenstudie overdoen. Na deze studie werd zij
beëdigd als barrister and solicitor, maar koos ervoor om praktijk uit te oefenen
als solicitor, een functie tussen notaris en advocaat in, met dien verstande
dat een solicitor gewoonlijk niet zelf in court optreedt, maar wel de stukken
voorbereidt en het dossier maakt aan de hand waarvan de barrister zijn pleidooi
houdt. Ze deed dat vele jaren, samen met een Nederlandse vriendin, en
123
Julianne Read, Leo’s kleindochter, het enige familielid met een doctorsgraad.
124
had heel wat aan Nederland geparenteerde cliënten die problemen met familiebanden,
erfenissen, uitkeringen enzovoort hadden. Met haar dubbele kennis
van zowel het Nederlands als het Australisch recht, kon ze heel wat positieve
resultaten boeken. Richard en Mariëtte wonen nu in een prachtig huis met een
forse tuin met tennisbaan en zwembad in Mt Eliza, even buiten Melbourne.
Australië
Wij bezochten Mariëtte en haar gezin verschillende keren. De eerste keer
nadat zij in januari ’77 was getrouwd en in november was bevallen van haar
eerste zoon, Robert. Genoeg aanleiding om Australië op ons programma te
zetten. Jopie ging vooruit, want ik kon nog niet voor Kerstmis weg in verband
met organisatieproblemen bij Econosto. Tijdens die eerste Australische reis
kon Jopie nog wat nabakeren om onze dochter te helpen. Ik arriveerde op 31
december. Het was toen nog een vreselijke vliegreis, met tussenlandingen in
Bahrein, Singapore en Sydney en eindbestemming Melbourne.
Australië bezochten we daarna nog een aantal keren met plezier. Aan ons
bezoek in ’82 knoopten we een reis naar ons vroegere Oost-Indië vast, met een
bezoek aan Java, Sumatra en een paar dagen Bali. We vlogen vanuit Singapore
heen en weer naar Jakarta, Medan en Denpasar. In Jakarta gingen we langs bij
het oude huis van de ouders van Jopie. Zij herkende het nauwelijks. De oorspronkelijke
open veranda’s waren vanwege de onveiligheid dichtgetimmerd,
waardoor zo’n huis er opeens heel anders uitzag. Maar ze was weer terug in
haar geboorteland, dus het was leuk om dat te kunnen doen. En ik wist nu
waar mijn voorouders ook actief waren en waar mijn echtgenote vandaan
kwam.
Heel wat gezien
Onze laatste reis samen naar Australië was in ’92, mede dankzij een afscheidscadeau
van het CCBB (zie de nevenfunctie op pagina 114), waar ik presidentcommissaris
was. Dat gaf ons de gelegenheid om de kleinkinderen goed te
leren kennen en wij grepen ook de kans aan om wat meer van het land te zien.
Behalve Melbourne bezochten we ook Sydney, waar we met de oude Valliant
van Richards moeder naartoe reden. Ook maakten we een vliegreis naar Alice
Springs om Ayer’s Rock te bezichtingen, een tocht naar Queensland om het
Great Barrier Reef te zien, en gingen we naar Tasmanië, per vliegtuig heen
en per boot terug – of andersom. De Australiërs zijn gek op picknicken en
tijdens sommige bustochten werd er gepicknickt onder leiding van de chauffeur,
de ‘captain’, die ook een soort entertainer is. Zo hebben we samen dus
heel wat van de wereld mogen zien. Mooie, interessante reizen, die je niet
gauw zou maken als je geen uitzwervende kinderen had. Dat is een voorrecht
ter compensatie dat ze zo ver weg wonen. Van de meeste reizen, ook de korte,
125
hield Jopie reisverslagen bij, met de foto’s die ik maakte en de folders van
toeristische plekjes.
Daarna had ik nog het genoegen om in 2011 een paar weken in het nieuwe huis
van Mariëtte en Richard in Mt Eliza te mogen doorbrengen. Ik maakte onder
meer de doop van hun kleindochter Cloe mee. Het contact met de Australische
familie is nog altijd heel goed. In oktober 2013 hoop ik hen nogmaals te bezoeken.
Dan trouwt Julianne.
Gijs en Jeroen
Gijs is niet getrouwd, heeft wel af en toe een vrind in huis gehad. Hij had
diverse baantjes, onder andere een tijdje op de hobbyboerderij van broer Hans
in Colombia. Dat hij eigenlijk heel geschikt was voor het boerenbedrijf, had hij
in Bretagne getoond toen de kasteelheer vroeg om hem een maand te vervangen
tijdens vakantie. Gijs had twee baantjes bij bloemenveilingen. Hij probeerde
in Mexico, na een mislukt contract met een grootgrondbezitter, een eigen
kaasfabriek op te zetten, maar moest daar op formele gronden mee uitscheiden,
omdat hij niet de juiste vergunningen had en zijn partner daar misbruik van
maakte. Uiteindelijk kwam hij terecht bij Vluchtelingenwerk, waar hij een
professionele baan kreeg. Daar stopte hij mee in 2012 vanwege medische
klachten en loopt sindsdien in de WAO. In die vluchtelingentijd heeft hij de
Het nieuwe huis van Mariëtte en Richard in Mt Eliza, 2010.
126
Zakelijke nevenfuncties
Rotterdams Instituut Spoed Opleidingen (RISO):
voorzitter (ca. 1984-’90)
Het RISO was een instituut dat korte informaticacursussen tot het niveau van systeembeheerder
verzorgde. Het werd aanvankelijk gefinancierd door de overheid. Het aardige
ervan was dat er alleen leerlingen op geplaatst mochten worden voor wie ook een
stageplaats beschikbaar was, zodat theorie en praktijk dichtbij elkaar werden gebracht.
Het instituut bood dus niet alleen onderwijs, maar moest ook acquisitie plegen. Toen de
gemeente zich terugtrok, ging het als een zelfstandige onderneming verder. Het bleek
echter dat docenten en de directeur niet in staat waren om in voldoende mate de markt
op te gaan. Na drie jaar zelfstandigheid ging de boel failliet, vanwege onvoldoende
opdrachten. Het instituut had bijvoorbeeld een opdracht van ECABO, maar voerde die
niet goed uit. Ik hield als voorzitter veel donderpreken tegen de directeur, omdat hij
achterliep met zijn administratie. Hij had een mooie kamer met mooie bloemen, maar
zat daar te veel. Hij moest er zelf op uit. Maar ik was medeschuldig, want ik had hem
zelf aangesteld, in overleg met wethouder Simons, de latere staatssecretaris, die toen
nog formeel voorzitter was. Ik was oorspronkelijk ondervoorzitter, maar werd na de
privatisering voorzitter, wat ik in de praktijk in feite altijd al was geweest.
Bij de opening van de nieuwe RISO-schoolruimte overhandigt Leo de Waal een cadeautje
aan wethouder Den Dunnen.
127
Zakelijke nevenfuncties
COA Rijnmond:
ondervoorzitter (1989)
Ondervoorzitter van Contact Onderwijs Arbeid Rijnmond werd ik ook weer via de
Kamer van Koophandel. Dit duurde maar kort. De organisatie bestond in de bestuurlijke
eenheid Rijnmond. De Kamer van Koophandel moest eraan meewerken; toen werd ik
gevraagd bestuurslid te worden, formeel onder voorzitterschap van een gedeputeerde
van Rijnmond. Het COA moest helemaal opgezet worden, personeel aangenomen.
Dat deed ik met hulp van een van de secretarissen van de kamer. Ik werd met ere
uitgezwaaid door het COA in ’89.
Stichting City Rotterdam:
voorzitter (1985-’87)
Voorzitter van de Stichting City Rotterdam was zo’n functie waar je een poosje in
meeloopt. Het was een stichting van samenwerkende winkeliers in het stadscentrum.
Een van de grote voorgangers was Van der Meulen van Magazijn Van der Meulen. Die
stichting moest proberen het contact met het gemeentebestuur te onderhouden om de
veiligheid en de indeling van de stad zo gunstig mogelijk te houden voor het middenstandsbedrijf.
Dit speelde in de tijd van de spoortunnel. Daar was nogal wat verontrusting
over. Een van de bestuursleden, een architect, zei: “Het is doodzonde om dat
mooie viaduct af te breken. Je kunt het beter verbreden.” Hij legde allerlei argumenten
op tafel om die tunnelgraverij te voorkomen. Achteraf is het allemaal keurig verlopen.
Maar het nut van onze activiteit tegen die tunnelbouw was wel dat de gemeente met
enige moeite een behoorlijke schadevergoeding trof voor bedrijven die door de werkzaamheden
hun omzet zagen wegzakken. Een van de bestuursleden was Hans Visser
van de Pauluskerk. Al met al ook weer een boeiend gezelschap om mee te werken.
128
hbo-opleiding sociaal recht gedaan, dat mag best met ere genoemd worden.
Het is een vent met goede hersens, maar te speels. Hij woont in Rotterdam.
Jeroen was ook een jongen met een goed verstand, maar gebrek aan concentratievermogen.
Na zijn studie tropische veeteelt in Wageningen, vond hij zijn
eerste baan als landbouwconsulent in Arnhem. Van daaruit ging hij werken in
de personeelsadviesorganisatie van het ministerie en nu is hij hoofdconsulent
bij Bureau Zuidema, voor functieanalyse en -beschrijving. Zijn echtgenote heeft
fysische geografie gedaan en is docente bij een instituut in Enschede, waar ze
opleidingen geeft aan mensen uit ontwikkelingslanden. Zij heet Nanette, geboren
Kingma. Kingma is een grote familie, je had zelfs een Kingma Bank in
Leeuwarden, een typische Friese familie. Ze kozen Zutphen als woonplaats en
hebben twee zonen: Just en Maarten.
Th.W. Termaat Huis
We woonden met groot genoegen in Rhoon, tot we in juli 2000 terug naar
Rotterdam verhuisden. Toen begonnen we echt tot de bejaarden te behoren: we
waren allebei tachtig. Dit Termaat Huis is van origine remonstrants. Ik geloof
dat in de statuten nog altijd staat dat de bestuurders goedgekeurd moeten worden
door de kerkenraad van de remonstrantse kerk. Als je binnenkomt, kun je
het bord zien van de eerstesteenlegging door meneer Van Slingeland. Dat was
een remonstrantse vrijgezel en had een broer die ook niet getrouwd was. Ze
woonden samen op de ’s-Gravenweg en hadden veel geld gemaakt in onroerend
goed. Bovendien had deze Van Slingeland nog een extraatje: hij had na de
bevrijding een partij gedroogd eierpoeder uit de voorraad van het Amerikaanse
leger kunnen kopen en dat in de eerste jaren goed kunnen omzetten. Die
vroeg op een goed moment aan de vrouw van de remonstrantse dominee Van
Rooyen: “Wat zal ik met dat geld doen? Ik heb geen kinderen en wil het toch
goed besteden.” Zij adviseerde hem toen om eens te denken aan een serviceflat
voor bejaarde remonstranten en daaruit is het voortgekomen. Tegenwoordig
hoef je niet per se remonstrants te zijn om hier te mogen wonen, maar moet
je het vrijzinnig christelijk gedachtegoed aanhangen. Er wonen net zo goed
katholieken en gereformeerden. Het is veel belangrijker dat de appartementen
verhuurd worden aan mensen die zich hier thuis kunnen voelen. Ze worden wel
door het bestuur geballoteerd.
Philharmonisch Orkest
Sinds ik hier woon heb ik me natuurlijk weer met allerlei zaken bemoeid, maar
dat was meer toeval, ik zocht het niet op. Zo speelde ik een beetje mee met de
bewonersvereniging, maar heb me daar twee jaar geleden uit teruggetrokken.
De eerste twee, drie jaar hier hadden we nog een abonnement op het Philharmonisch
Orkest. We gingen jaarlijks een keer of acht naar een concert, maar
129
omdat dat voor mijn vrouw steeds moeilijker werd, zagen we daarvan af. Ze
werd slecht ter been, ging slecht zien. In de pauze kon ik haar er niet meer toe
bewegen even rond te lopen. Er kwamen gelukkig wel af en toe vriendinnen
bij haar even een kletsje maken. Maar de lol was eraf, wat je noemt, want het is
niet alleen de muziek, maar ook het uitje op zich. Ze was al niet meer in staat
om alleen over straat te gaan. Ze uitte dat iets eerder dan nodig, volgens mij,
want in noodgevallen lukte dat dikwijls toch wel. Het was meer psychisch in
het begin. Dit was dan ook de reden waarom we Rhoon hebben verlaten om
hier te gaan wonen.
Hier is altijd iemand in huis. Je kunt op de knop drukken – als je die kunt bereiken
tenminste. We hebben hier wat dat betreft voor een aantal mensen een
goed initiatief. Om negen uur wordt de eerste opgebeld vanuit het kantoor, die
belt dan nummer twee, die nummer drie, nummer vier, vijf, zes, zeven, acht en
ik ben nummer negen. Reageer je niet, dan wordt de balie gewaarschuwd om
te gaan kijken wat er met die mevrouw of meneer aan de hand is. Onder het
motto: dan lig je nooit langer dan 24 uur te creperen of al dood te zijn. Ik heb
het één keer gehad dat ze me niet konden bereiken. Toen lag ik zo vast te slapen,
dat ze om kwart over negen voorzichtig bij me binnenkwamen: “Meneer De
Wáááál!” Een goed systeem. Het gekke is dat ik de enige man ben die eraan
meedoet, terwijl er toch verschillende eenzame mannen hier wonen.
Mantelzorger
In dit huis worden allerlei aardige dingen georganiseerd. Jopie heeft hier nog heel
veel gebridged. Tot 2004 ging dat nog redelijk en vonden de anderen het gezellig
dat ze erbij kwam. Daarna zakte ze wat weg. Dan werd ze nog wel eens gevraagd
om langs te komen, maar niet meer om te bridgen, dat werkte niet meer. Merkwaardig
is dat eigenlijk alleen zoon Gijs, die hier regelmatig kwam, echt in de
gaten had dat zijn moeder zo achteruitging. Hij had vreselijk veel moeite om zijn
broertjes ervan te overtuigen dat het niet goed ging. Mariette had dat ook al
opgemerkt toen ze in september 2004 een paar weken bij ons logeerde. Ze hield
regelmatig telefonisch contact en begon aan mijn stem te horen dat ik uitgeput
dreigde te raken. Ze besloot onmiddellijk over te komen: “Ik kom tien dagen naar
je toe. Dan kun jij vakantie nemen en zorg ik wel voor mama.” Dat was een hele
geruststelling. Toen ben ik inderdaad een dag of drie, vier weggeweest. Ik was
danig vermoeid geraakt, was iets van zes kilo kwijtgeraakt als mantelzorger.
Mariëtte kwam terug op 15 juni 2005, want dan zou de 65e verjaardag van
schoonzoon Richard hier worden gevierd met de familie en Mariette’s clubvriendinnen.
Maar gezien de snelle achteruitgang van moeder kon dat niet
doorgaan. Toen hebben we hier wel een kleine familiebijeenkomst gehad bij
130
wijze van vervroegde zestigste trouwdag. Met hulp van een verpleegster en
een rolstoel zijn we naar de pannenkoekentent in het Kralingse Bos gegaan
om pannenkoeken te eten. Het was erg leuk. Ik had de indruk dat mijn vrouw
er ook bewust plezier in had, hoewel ik niet meer weet of ze het zich helemaal
realiseerde. Op 1 juli overleed ze rustig, omringd door haar kinderen en kleinkinderen.
In zo’n moeilijke periode merk je dat je van je kinderen en kleinkinderen
een hoop warmte kunt krijgen. Het is dan een voorrecht dat je zo veel
nazaten hebt.
Negentig
In 2009, op mijn negentigste verjaardag, kwam de voltallige familie bij elkaar.
We maakten er een hele mooie bijeenkomst van, gedeeltelijk georganiseerd
door kleindochter Martine. Allemaal gingen we logeren in een bungalowpark
de Meerdonk in Brabant. We konden een aantal bungalows bij elkaar krijgen,
zodat we een klein wijkje vormden met ons grote gezelschap van veertig
mensen. Met als enige niet-nazaten erbij Sandra, de dochter van mijn zuster
Pau, en haar man Chris. Het was een groot feest. De eerste avond, vrijdag, at
ik met mijn eigen kinderen en hun echtgenoten in een vijfsterren restaurant
niet ver ons logeeradres. De kleinkinderen en achterkleinkinderen bleven
achter in het bungalowpark. De tweede dag maakten we een excursie naar
de Efteling. Ik voelde me toen niet erg sterk, bracht een gedeelte van de excursie
in een rolstoel door. Ik had last van de toen nog niet gediagnosticeerde
auto-immuunziekte. ’s Avonds dineerden we gezamenlijk met vriendelijke
toespraken en veel lieve verzamelde woorden in een mooi boek met foto’s van
kinderen en kleinkinderen.
v.l.n.r. opa Leo, Mariëtte, Robert
en Annabel.
v.l.n.r. Hans, Natalie met Liano en opa Leo.
131
132
133
Naschrift
In mijn ouderlijk huis werd graag gewezen op de foto van vier generaties, met grootje
Sutherland, grootvader Jan de Waal, mijn vader en mijn zuster Pau. Ik heb nu zes foto’s
van vier generaties in mijn verzameling. Helaas niet met Jopie erop, hoewel zij toch heel
bewust overgrootmoeder – grootje – is geweest. Onze eerste achterkleinzoon Koen is
immers al in november ’94 geboren.
Ruim 135 pagina’s had ik nodig om iets te vertellen over mijn lange levenservaring.
Een kleine eeuw met snelle veranderingen. In mijn eerste jaren was de telefoon nog
een luxe, nu heeft een kleuter van vijf jaar al een eigen mobieltje.
Onveranderd is het onvermogen van de mens om vrede op aarde te brengen. Europa heeft
dan wel bijna zeventig jaar vrede mogen ervaren, maar nog altijd is het de schuld van
een ander land, van een andere cultuur als er bij ons iets niet goed is. De Amerikaanse
socioloog Elton Mayo formuleerde zo’n 65 jaar geleden de stelling: “Als onze sociale
vaardigheden even snel waren gegroeid als onze technische vaardigheden, zou Wereldoorlog
II er niet geweest zijn.” Het is te hopen dat onze sociale vaardigheden voldoende
snel ontwikkeld worden om ons een Wereldoorlog III te besparen. Een moeilijke opdracht
voor de komende generaties.
Ik hoop dat mijn maatschappelijke functies iets hebben bijgedragen aan die sociale
ontwikkelingen.
Leo de Waal
134
Zoon Hans bij de ingang van zijn landgoed
in Colombia.
Het kersverse bruidspaar Mariëtte en Richard (l.)
met familie uit Nederland en Australië, 1977.
Vier generaties De Waal – v.l.n.r. achterkleindochter
Noortje, opa Leonard, kleindochter
Anneke, achterkleinzoon Thomas Leonard en
zoon Leonard.
Jeroen de Waal en Nanette Kingma
op hun huwelijksdag voor het stadhuis
in Doesburg, 4 september 1987
135
Colofon
Tekst: Paul Kattestaart
Vormgeving: KEPCOM Creatieve Communicatie, Delft
Dit boek is tot stand gekomen binnen het project ‘Deel je leven’
van Pluspunt, waarin vrijwilligers levensboeken voor ouderen in
Rotterdam maken.
136
Het gelukkige leven
van een bemoeial
Het eigen verhaal van Leo de Waal
Opgetekend door Paul Kattestaart
Senaatslid in zijn studententijd. Hoofd voorlichting bij het Nederlands
Volksherstel na de Tweede Wereldoorlog. Mede-oprichter van de Hogere
Economische en Administratieve School Rotterdam. Ondervoorzitter
van de Onderwijsraad. Directeur van een middelgroot bedrijf. Voorzitter
van de Remonstrantse Gemeente Rotterdam. Het zijn nog maar enkele van
de talloze functies die Leo de Waal in zijn leven heeft bekleed. Daarnaast
was hij vader in een harmonieus gezin met zijn vrouw Jopie en vijf kinderen.
Op 94-jarige leeftijd blikt hij terug in het seniorencomplex Th.W. Termaat
Huis in Rotterdam. “Ook hier heb ik mij natuurlijk weer met allerlei zaken
bemoeid.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s